Julien

Pour le Français voir 👇🙏

(06/12)Deze ochtend liep ik door Vieux Lyon richting de Colline de Fourvière, waar een religieus gebouw sinds mijn aankomst in de stad mijn aandacht trok.
Ik voelde een fluiditeit in mijn bewegingen en zijn. Daar kan ik zo van genieten.

Mijn blik viel op een huis, nummer 7. Iets verder nam ik een smalle straat met trappen: Montée de Barthélemy. Ik voelde even een vervelend gevoel bij die naam. ‘Neen, Jasmine. Je aandacht zal niet gaan naar wat de kerk heeft gedaan. Draai het om,’ klonk het door me heen. Ik voelde de behoefte mijn rozenkrans te nemen en deze op te zeggen tot boven op de Colline, voor de slachtoffers die de kerk maakte tijdens le massacre de Saint-Barthélemy.

Één ander huisnummer, 11 trok mijn aandacht. Tussen tal van graffiti stond in mooie kalligrafische letters: “Jeanne”. Een duif vloog voor me uit op de trappen. Boven aangekomen stapte ik de Basiliek binnen. Het voelde er goed en ik bleef er wat rondhangen. Een glasraam trok mijn aandacht bij de zachte witte en gouden tinten. Links een engel, vermoedelijk aartsengel Michael, een vrouw, een zwaard met lichtbundel onderaan, omringd door vuur, en een ster erboven. Rechts een andere vrouw, een engel met de staf van een pelgrim in zijn handen.
Ik vroeg een vrijwilliger om uitleg over deze figuren. We wisselden contactgegevens uit en hij beloofde later te antwoorden.

In de grote crypte, die zich over de volledige oppervlakte van de Basiliek uitstrekte, stonden Maria-beelden uit verschillende landen, elk met een verhaal van een wonder.
Een prachtige mozaïek beeldde het leven en de legende van de Heilige Jacobus uit. In de crypte werd ik gewaar dat ik er niet lang kon verblijven: ik werd wat onwel en voelde dat ik moest vertrekken.

Op de terugweg telde ik de trappen uit nieusgierigheid: 902 (11). Aan de overkant van de straat zag ik een tengere man, vreemd bewegend, zoekend, afwisselend stil. Ik bleef even bij de etalage van een boekenwinkel staan, en stapte toen naar binnen.

“Goedendag,” zei ik, “is het mogelijk de brandweer te bellen aub? Ik maak me zorgen om die man. In zijn staat, en met deze koude, vrees ik dat hij in de Rhône kan vallen.”
Terwijl ik hem observeerde, gingen 45 minuten voorbij. We werden van het ene telefoongesprek naar het andere doorgestuurd. Uiteindelijk stapte ik naar hem toe.

“Kan ik je helpen?” vroeg ik. Hij keek me vriendelijk aan. “Ik wil een taxi naar huis,” zei hij. Ik noteerde zijn adres in de kladblok van mijn telefoon. “Wat is je naam?” vroeg ik.
“Julien,” antwoordde hij.
“Julien, ik vrees dat de taxi je niet zal meenemen in de staat waarin je bent.” Zijn vest was bekleed met vlekken, zijn broek nat. “Heb je gedronken of drugs gebruikt?”
“Neen, ik ben in behandeling… Valium,”
begreep ik uit zijn woorden.
‘Kan je me vertellen welke richting ik uit moet?’ vroeg hij, terwijl ik wat fysieke afstand hield. ‘Je bent 3 km van huis, en in de staat waarin je bent zal je er niet geraken.’ Hij vertrok en ik zag hem tastend de straat oversteken.

Ik sprak de mensen van de boekenwinkel aan: “Dit is zijn adres, voor het geval er diensten komen. Ik zal hem vergezellen naar huis.”
“Dankjewel dat je dit doet,” zei de eigenaar. “Ik kan hem zo niet laten.”

Ik liep achter Julien aan. Toen hij de verkeerde weg nam, riep ik hem. “Kom Julien, ik ga je vergezellen. Zo zal je er niet geraken.”
“Wil je dit voor me doen? Wat is je naam? Je bent van België?” vroeg hij. Blijkbaar klonk mijn accent door.
Terwijl we liepen, vertraagde hij soms; zijn brein leek af en toe op ‘stop’ te gaan.
“Het is koud, en mijn knieën doen pijn.”
“Ik begrijp je,” zei ik. Ik moedigde hem aan in beweging te blijven, zijn handen in zijn vestzakken.
“Is het nog ver?” vroeg hij. Ik twijfelde. “Je bent als de pelgrims die ik dit jaar heb vergezeld, die vroegen hoe ver het nog was. Of zoals kinderen in een auto: ‘Is het nog ver?’ Ik zeg het je liever nog niet, zodat je moed niet inzakt.”, we lachend naar elkaar.

Moedig stapte hij verder, afwisselend voor me, dan naast me. De blikken van voorbijgangers varieerden van glimlach tot bezorgdheid.
“Ik heb het koud.”
“Ik zie het aan je kleur.”
“Waarom ben ik rood?”
“Blauw van de kou. Komaan, je bent er bijna, nog 800 meter.”
“Dankjewel,” zei hij.
“Graag gedaan. Herpak je he Lucien, dit kan de volgende keer fataal zijn.”

Bij het adres aangekomen, zag ik dat het een hotel was. Ik wachtte tot hij binnen was. De receptionist vroeg hem plaats te nemen. Ik keek uit het venster en zag Julien in een zetel, in slaap gevallen. In de warmte.

Ik keek op mijn telefoon en zag dat ik de mail had ontvangen met de uitleg over het glasraam.

Wordt vervolgd…

(06/12)Ce matin, je me suis promenée dans le Vieux Lyon en direction de la Colline de Fourvière, où un bâtiment religieux attirait mon attention depuis mon arrivée en ville.
Je sentais une fluidité dans mes mouvements et mon être. J’en profitais pleinement.


Mon regard s’est posé sur une maison, le numéro 7. Un peu plus loin, j’ai pris une ruelle étroite avec des escaliers : la Montée de Barthélemy. Un léger malaise m’a traversée à la lecture de ce nom. « Non, Jasmine. Ton attention ne doit pas aller vers ce que l’institut l’Église a fait. Retourne-le », résonnait en moi. J’ai ressenti le besoin de prendre mon chapelet et de le réciter jusqu’au sommet de la colline, pour les victimes du massacre de la Saint-Barthélemy.


Une autre maison, numéro 11 a attiré mon attention. Parmi de nombreuses graffitis, il y avait, en belles lettres calligraphiées : ‘ Jeanne’ . Une colombe a volé devant moi sur les marches. Une fois arrivée en haut, je suis entrée dans la Basilique. L’atmosphère était agréable et j’ai pris le temps de m’y attarder. Un vitrail a retenu mon regard avec ses teintes douces de blanc et d’or. À gauche, un ange, probablement l’archange Michel, une femme, une épée avec un rayon de lumière en bas, entourée de feu et surmontée d’une étoile. À droite, une autre personne , un ange tenant le bâton d’un pèlerin.
J’ai demandé à un volontaire si il connaissait  l’identité de ces personnages. Nous avons échangé nos coordonnées et il a promis de me répondre plus tard.


Dans la grande crypte, qui s’étendait sur toute la superficie de la Basilique, se dressaient des statues de Marie venant de différents pays, chacune racontant un miracle. Une magnifique mosaïque représentait la vie et la légende de Saint Jacques. Dans la crypte, j’ai pris conscience que je ne pouvais pas rester longtemps : je me sentais légèrement mal et j’ai ressenti qu’il fallait partir.


Sur le chemin du retour, par curiosité, j’ai compté les marches : 902 (11). De l’autre côté de la rue, j’ai aperçu un homme frêle, bougeant de manière étrange, cherchant, alternant moments d’immobilité et de mouvement. Je me suis arrêtée un instant devant la vitrine d’une librairie, puis je suis entrée à l’intérieur.
« Bonjour, » ai-je dit, « serait-il possible d’appeler les pompiers s’il vous plaît ? Je m’inquiète pour cet homme. Dans l’état où il se trouve, et avec ce froid, je crains qu’il ne tombe dans le Rhône. »
Alors que je l’observais, 45 minutes s’écoulèrent. Nous avons été transférés d’un interlocuteur à l’autre. Finalement, je suis allée vers lui.


“Puis-je vous aider ?” ai-je demandé. Il m’a regardée avec bienveillance.
“Je voudrais un taxi pour rentrer chez moi” , dit-il. J’ai noté son adresse dans le bloc-notes de mon téléphone.
“Quel est votre nom ?” demandai-je.
“Julien” , répondit-il.
“Julien, je crains que le taxi ne veuille pas vous prendre dans l’état où vous êtes.” Son gilet était taché, son pantalon mouillé.
“Avez-vous bu ou pris des drogues ?”
“Non, je suis en traitement… Valium” , ai-je compris de ses paroles.
“Pouvez-vous me dire dans quelle direction je dois aller ?” demanda-t-il, tandis que je gardais une certaine distance physique. “Vous êtes à 3 km de chez vous et dans l’état où vous êtes, vous n’y arriverez pas.” Il partit et je l’ai vu traverser la rue avec précaution.


J’ai parlé aux personnes de la librairie : “Voici son adresse, au cas où des services viendraient. Je vais l’accompagner chez lui.”
“Merci de faire cela,” dit le propriétaire.  “Je ne pouvais pas le laisser ainsi.”


J’ai suivi Julien. Lorsqu’il prit le mauvais chemin, je l’ai appelé.
“Viens, Julien, je vais t’accompagner. Ainsi, tu n’y arriveras pas seul.”
“Voulez-vous faire cela pour moi ? Quel est votre nom ? Vous êtes de Belgique ?” demanda-t-il. Apparemment, mon accent se percevait.
En marchant, il ralentissait parfois ; son esprit semblait s’arrêter par moments.
“J’ai froid, et j’ai mal aux genoux.”
“Je comprends,” lui ai-je dit. Je l’encourageais à rester en mouvement, les mains dans ses poches.
“Est-ce encore loin ?” demanda-t-il. J’hésitai. ” Tu es comme les pèlerins que j’ai accompagnés cette année, qui me demandaient encore et encore ‘c’est loin ?’. Ou comme les enfants dans une voiture : ‘C’est encore loin ?’ Je préfère te le dire plus tard, pour que ton courage ne baisse pas”, lui ai-je dit en riant légèrement.
Il avançait avec courage, parfois devant moi, parfois à mes côtés. Les regards des passants allaient du sourire à l’inquiétude.
“J’ai froid.”
“Je le vois à ta couleur.”
“Pourquoi suis-je rouge ?”
“Non, bleu du froid. Allez, tu es presque arrivé, encore 800 mètres.”
“Merci” , dit-il.
“Avec plaisir. Reprends-toi, Lucien, cela pourrait être fatal la prochaine fois.”


Arrivés à l’adresse, je vis que c’était un hôtel. J’attendis qu’il entre. Le réceptionniste lui demanda de s’asseoir. Je regardai par la fenêtre et vis Julien assis dans un fauteuil, endormi, au chaud.
Je consultai mon téléphone et vis que j’avais reçu le mail expliquant le vitrail.


À suivre…

Boekvoorstelling

Op 29 april 2017 was er de boekvoorstelling van ‘ Als de buizerd me de weg wijst’. Het eerste boek over een pelgrimstocht in België. Een weg verbonden met de wegen naar Compostela. Meer dan 1000km in verbondenheid met de natuur en de mens.

29 april 2017-16-45-XT012693-2

Copyright Franky

Het was een spetterende start van het boek.

Hieronder kan je een beeldverslag zien genomen door Franky.

Ik wens dan ook nog mijn dank betuigen aan allen die aanwezig waren tijdens op boekvoorstelling in levende lijve en gedachten. Aan Jacobus Gent – Cultuurkerk voor de schitterende locatie. Sophie Cocquyt voor de intro. Brandhout voor de vreugdevolle noten en ambiance. Claudine Verspecht om een ‘Hart voor ALS’ voor te stellen. Jacqueline voor het voorlezen. Wagenschot voor de heerlijke soep. Rita Lernout voor de hulp. Franky voor de prachtige beelden van het evenement. Alle Angels die er geweest zijn, zijn en nog zullen komen. Het was een groot succes. Hartelijk Jasmine waren met veel En het eerste boek werd officieel overhandigd aan mijn metekind Liudmila Debels.

Dankbaarheid/Reconnaissance

wp-image-1681052830jpg.jpg

Le soleil levant brille dans la salle du petit déjeuner. Une nappe blanche, une table dressée. Des conversations ayant comme sujet la croyance et le pardon. Nous pouvons chacune nous y trouver.

Neuf heures trente, je quitte le monastère des Bénédictines par le RAVel et je me dirige vers Tongres (Tongeren).

Les jardins naturels ouverts et spontanés font place à des parcelles de terrain délimités et aménagés. Les pierres rudes et irrégulières typiques des façades Ardennaises ont disparues, les briques rouges sont partout. Les bâtiments, un mélange de styles.

Je marche d’un village à l’autre. En ville les gens me regardent, les plumes attachées aux bâtons de marche, les intriguent. Parfois j’ai l’impression d’être E.T. dans mon propre pays. Dans une zone industrielle je passe une fabrique de chocolat. L’eau me vient à la bouche et je me demande s’il n’y aurait pas un magasin d’usine… hmm, hmm, non.

Le long du chemin je trouve le crâne d’un faucon. Il disparait dans mon sac pour y rejoindre mes autres trouvailles.

À l’entrée d’un village, un magasin. Oh, le magasin de chocolat donc j’avais rêvé tout à l’heure. Il fait trop chaud dehors, je recherche la fraicheur du magasin. Délicieux chocolat à s’en lécher les doigts. Une pause.

La compagnie de bus change de ’TEC’ en ‘De Lijn’. La frontière est visible, le panneau communal  indique ‘Limburg’ (Limbourg). Je quitte la Wallonie.

Wallonie, Flandres peu importe. Sous mes pieds le même sol. Celui de la Belgique. Je regarde mon gps est suis surprise de voir que Tongres est si prêt. Que cela a été vite. Je repense au chemin et suis émotionnée, tous ces gens ouverts, sympathiques et accueillants que j’ai rencontré en cours de route. Les nombreuses portes qui se sont ouvertes. L’aide que j’ai pu recevoir. Les moments de plaisir, d’émotions, de partages intenses. La non-évidence à laisser rentrer une étrangère dans sa maison. Car c’est ce que nous étions l’un pour l’autre.

Bien que, l’étions-nous vraiment?

Les derniers kilomètres sont durs à porter. Une dernière ligne droite qui monte vers le marché de Tongres. Une porte que je reconnais, celle des ‘Grauwzusters’.

Et la buse….elle est tangiblement présente.

GPX Bestand Luik – Hozémont

GPX Bestand Hozémont – Ligney

Dankbaarheid

De ochtendzon schijnt in de ontbijtruimte. Een wit tafellaken, een gedekte tafel. Gesprekken over geloof en vergeven. We kunnen elkaar vinden. Halftien, ik verlaat het benedictijnenklooster via de RAVeL richting Tongeren. De open, natuurlijke tuinen hebben plaatst gemaakt voor afgebakende, aangelegde tuinen. De typische onregelmatige, ruwe gevelstenen van de Ardennen zijn verdwenen, rode baksteen is alom aanwezig. De gebouwen, een mengeling van stijlen. Ik wandel van het ene dorp naar het andere. In de stad kijken mensen mij aan, de veren op mijn wandelstokken trekken hun aandacht. Ik heb soms het idee E.T. in eigen land te zijn. Langs een industriezone, een chocoladefabriek. Het water komt me in de mond en ik denk bij mezelf: ‘Zou hier geen fabriekswinkel zijn?’ Hmm, neen.

Langs de weg vind ik een schedel van een valkje. Het gaat bij mijn andere vondsten in de rugzak. Bij het binnenstappen van een dorp, een winkel. Oh, de chocoladewinkel waarop ik daarnet hoopte. Het is me even te warm buiten en ik zoek de koelte van de winkel op. Overheerlijke chocolade, om de vingers van af te likken. Een pauze. De busmaatschappij verandert van ‘TEC’ in ‘De Lijn’. De grens is zichtbaar, een bord ‘Limburg’. Ik verlaat Wallonië.

Wallonië, Vlaanderen, wat doet het er toe? Onder mijn voeten dezelfde grond. België. Ik bekijk mijn gps en ben verbaasd dat Tongeren al zo dicht bij is. Amai, dat is snel gegaan. Ik denk terug aan de weg en raak ontroerd door de vele open, vriendelijke, uitnodigende mensen die ik heb ontmoet op deze weg. De vele deuren die zich voor mij hebben geopend. De hulp die ik heb mogen ontvangen. De momenten van lachende, ontroerende mensen. Intens delen met elkaar. De niet zo vanzelfsprekendheid om een vreemde in huis te nemen. Want dat waren we voor elkaar. Alhoewel, waren we dat echt? De laatste kilometers wegen zwaar. Een laatste rechte lijn naar boven richting de markt van Tongeren. Een gekende deur, bij ‘De Grauwzusters’.

En de buizerd… die is voelbaar aanwezig.

 

Luik – Liège

wp-image-1767881780jpg.jpg

Je repense à la situation d’hier soir. Sarah, chez qui j’ai logé cette nuit est issue d’une famille de témoins de Jéhovah. Elle même s’en distancie parce qu’elle a vu que les gens ne vivaient pas ce qu’ils prêchaient et que pour elle, certaines choses étaient intolérables. Un peu comme l’image que j’ai de mes grands-parents et leur religion.

Quand j’étais une enfant, j’allais tous les dimanches à la messe accompagnée de ma marraine. C’était la fête pour moi. Lorsque qu’elle est décédée j’y suis allée avec mes grands-parents. J’entends encore mon grand-père dire, “Tu as vu celui-là, il a une nouvelle femme, qu’est-ce que cette robe…”, chuchotait -il à l’oreille de ma grand-mère. Si ce n’était pas ces paroles, c’était son regard, qui scrutait les alentours, qui en disait long. Ça me faisait de la peine de voir et d’entendre ces choses. Chaque dimanche la même chanson. Une des raisons pour laquelle je ne suis plus allée à la messe du dimanche. Je ne pouvais pas comprendre car c’était l’opposé de ce que l’église nous dictait. Chose qui se passe sans doute avec toutes les religions. Et quelque part chose aussi qui se distancie de la religion ou de toute expérience spirituelle. Cependant, étant gamine, je ne le distinguais pas.

L’odeur, les irritations que je ressens dans les banlieues de Liège m’indisposent. L’odeur du tabac qui s’échappe par les portes d’entrée, l’urine d’êtres humains ou d’animaux. Je dois faire bien attention où je pose les pieds. Les cris et les hurlements des gens entre eux. Je me concentre sur ma propre personne pour trouver un équilibre. Je sens de la peine, mal pour ce que je vois et que j’entends.

Je m’arrête, respire profondément. Regarde autour de moi. J’entends plusieurs chants d’oiseaux aux alentours, le cri de la buse. Une paix s’installe dans mon cœur. C’est la première fois que je me réjouis d’aller quelque part. Le repos d’un espace sacré. Une église, un temple, une synagogue, une mosquée, une forêt, une chapelle… peu importe. Un espace en ville où règnent le calme et le silence. Un espace où tout le monde peut aller et venir, où tout le monde est le bienvenu. Où il n’y a pas de différence entre hommes et femmes, sans distinction, d’ascendance, d’origine, de religion. Un espoir qui vit en moi est que ces choses se réaliseront dans différents espaces sacrés. Un espace où tout le monde serait reçu à bras ouverts.

“L’église Saint-Jacques le mineur de Liège. La troisième et dernière sur cette route de Belgique. Un exemple de d’art gothique tardif. Pas écrasant, bien équilibré. On y trouve aussi bien une statue de Saint-Jacques le majeur qu’une de Saint-Jacques le mineur. Toutes les deux sculptées par Jean Del Cour. Une relique de Saint-Jacques le majeur est présente et une chapelle est consacrée aux pèlerins sur le chemin de Compostelle.

Saint-Jacques le mineur fut parait-il un membre de la famille de Jésus. Après le décès de ce dernier il se retrouve à la tête de l’église de Jérusalem. Dans les années cinquante il s’assure que les non-juifs puissent eux aussi se convertir au christianisme. Il meurt en l’an soixante-deux”, m’aprends le guide de l’église.

La banlieue m’a fatigué et je décide de dormir à Liège. Dans les rues de Liège je rencontre une connaissance d’un passé lointain. Une poignée de main. Satisfaite de ce qui fut autrefois. Le personnage disparait. Satisfaite de ce qui est. Le monastère des Bénédictines est le bâtiment où je fais halte aujourd’hui. Contente de pouvoir terminer ma journée dans cet endroit.

GPX Bestanden Soumagne – Liège

Luik

De situatie van gisteravond komt terug in mijn hoofd. De familie van Sarah, bij wie ik heb overnacht, zijn ook Jehovagetuigen. Zelf doet ze er afstand van omdat ze zag dat mensen er niet naar leefden en er voor haar bepaalde zaken niet door de beugel konden. Een beetje zoals het beeld dat ik had van mijn grootouders en hun geloof. Als kind ben ik iedere zondag naar de mis geweest, samen met mijn doopmeter. Het was voor mij altijd feest. Toen ze overleed ben ik nog samen met mijn grootouders gegaan. Ik hoor de woorden nog van mijn grootvader: “Heb je den dezen gezien, die heeft een nieuwe vrouw, wat voor een kleed is dat…”, fluisterde hij in de oren van mijn grootmoeder. Waren het zijn woorden niet, dan zei zijn rondkijkende blik al voldoende. Het deed pijn dat te horen en te zien. Iedere zondag was het hetzelfde liedje. Een van de redenen waarom ik niet meer naar de zondagsmis ben gegaan. Dat kon ik niet plaatsen en het stond zo haaks op wat ons werd bijgebracht in de kerk. Iets wat in iedere religie wel voorkomt. En wat eigenlijk ook los staat van religie of enige spirituele belevenis. Dat kon ik toen, als kind, niet zien.

De geur en de prikkels die ik ontvang in de voorsteden van Luik maken me misselijk. Tabakslucht die via voordeuren naar buiten glipt, urine van mens en dier. Het is opletten geblazen bij het neerzetten van mijn voeten. Het geroep en geschreeuw van mensen tegen elkaar. Ik focus me op mezelf om zo een evenwicht te vinden. Een pijn is voelbaar, pijn om wat ik hoor en zie. Ik sta stil. Adem diep in en uit. Kijk rondom mij. Verschillende vogels laten zich horen, de kreet van de buizerd. Een rust installeert zich in mijn hart. Het is de eerste keer dat ik ernaar uitkijk om ergens te zijn. De rust van een sacrale ruimte. Een kerk, tempel, synagoge, moskee, bos, kapel… wat het ook moge zijn. Een ruimte waar rust en stilte te vinden is, middenin een stad. Een ruimte waar iedereen vrij mag bewegen, iedereen welkom is. Waar geen onderscheid is tussen man en vrouw, afkomst, origine of geloof. Een hoop die ik koester, dat dat in de verschillende sacrale ruimtes mag zijn en ontstaan. Een ruimte waar iedereen met open armen wordt ontvangen.

De Sint-Jacobs de Mindere kerk van Luik. De derde en laatste op deze tocht door België. Een toonbeeld van late gotiek. Niet overdonderend, maar evenwichtig. Zowel een beeld van Jacobus de Meerdere als van Jacobus de Mindere, twee beelden gemaakt door Jean Del Cour. Een relikwie van Jacobus de Meerdere en een kapel opgedragen aan de pelgrims op weg naar Compostela. Sint Jacob de Mindere zou een familielid geweest zijn van Jezus. Na het overlijden van Jezus komt hij aan het hoofd te staan van de kerk van Jeruzalem. Hij zorgde ervoor dat niet-joden zich ook kunnen bekeren tot het christendom. Hij sterft in het jaar tweeënzestig. Dat alles kom ik te weten van de gids in de kerk. De voorsteden hebben me vermoeid en ik beslis om in Luik te overnachten. Op straat ontmoet ik iemand uit mijn ver verleden. We schudden elkaar de hand. Een goed gevoel van wat ooit was. De persoon verdwijnt. Een goed gevoel van wat is. Het benedictijnenklooster wordt mijn halte voor de nacht. Blij dat ik hier mijn dag kan eindigen.