31-soeur Christine

Magdala – la fraternité de Jeruzalem

De laatste dagen zie ik vaak terug de nummers 31 en 71.
Op de middag kom ik aan in een dorpje, waar een plaatselijke rommelmarkt het dorpskern heeft gevuld.
Een man begint met me te praten. Wanneer hij hoort aan mijn accent dat ik uit België vandaan kom, deelt hij dat hij veel klanten heeft in Brussel en omstreken. Ondertussen als handelaar probeert hij me te overtuigen iets te kopen, een hertengewei met wel 4 vertakkingen.
Ik zie liever de herten in de natuur, dan een trofee aan de muur.
“Meneer zoveel jaren geleden heb ik rommelmarkten afgelopen, ik kocht zilver, verzilverd materiaal. Opzoek naar borden. Wat was het leuk om die stempels te leren kennen. Soms zaten er kleine leuke vondsten tussen met minder geldelijke waarden die ik het mooist vond. Onderliggend was altijd de gedachte aanwezig of de hoop iets te vinden van grote waarde. Ik was op schatten jacht, als een kleinkind opzoek naar dat ene kleine dingetje die mijn dag gelukkig maakte. En ook al vond ik het leuk, Ik had niet genoeg, want de hoop lag al naar de volgende week, zelfde plaats, zelfde tijdstip.
Dit was toen.
Vandaag ben ik veel rijker- met enkel deze lichte bagage die ik mee heb, wijzend naar mijn rugzak op mijn rug dan toen ik de rommelmarkten afliep op zoek naar materie, naar iets buiten mezelf. Want ik vergat af en toe het kleine ‘dingetje’ in mezelf, die van onmeetbare waarde is, altijd toereikend wanneer men het wil en waar overvloed aanwezig is, het was, is zo dichtbij. Een rijkdom die in elk van ons is”, terwijl ik mijn handpalm op mijn hart leg. We hebben nog een fijne babbel en groeten elkaar met een glimlach wanneer onze wegen scheiden.

Van eikenbossen naar, kastanje bossen naar naaldbossen… onder mijn voeten is fijn zand aanwezig… zand… van wat hier ooit de zee was.
Een daas komt rond mijn oren vliegen. Wanneer je lang in de natuur vertoeft leer je het gedrag van de kleine, grote dieren, de macro en microwereld – de natuur, daar waar ook wij toebehoren – kennen. Zo laat ik de uitdagende daas horizontaal rond mij zoeven, want uit ervaring weet ik dat hoe meer je ze probeert weg te jagen, hoe agressiever ze worden en aanvallen. Dus, blijf ik bij mezelf en laat ik ze met hun eigen gedrag.

De paddestoelen beginnen zichtbaar te worden. Ik zou ze zo graag leren herkennen op mijn weg en mensen er ’s avonds plezier mee doen. Wie weet krijg ik ooit de mogelijkheid.

‘ s Avonds kom ik aan in La Marolle-en-Sologne. Waar ik de avond doorbreng net naast het vroeger prachtig leegstand rvt gebouw. Niet meer binnen de normen wordt me meegedeeld, het staat er achtergelaten bij. Een gebouw waar het gemeentehuis weigert er iets aan te doen. Een zoveelste leegstand pand waar je mensen zonder woning en een job kan schenken en een dak boven hun hoofd. En zo zouden vele dorpskernen her-bloeien en leven met zich meebrengen. Hoeveel mensen hebben gouden handen en kunnen ze helaas niet inzetten voor de maatschappij omdat ze vastzitten in de structuren van wetten en regels waarin velen niet meer buiten de lijntjes van deze kunnen, willen kijken en handelen.
Ik geniet er van een wedstrijd pétanque, waarvan één van hen mij een overnachting aanbood.

Van La Marolle-en-Sologne naar La Saint-Viâtre op enkel twaalf kilometer vóór ‘Magdala’, zo kan ik ‘le lundi du désert’ respecteren en heb ik een korte dag bij aankomst. De woestijn maan-dag, is een dag waar de fraterniteit een stiltedag heeft.

Wanneer ik ’s anderendaags aankom in’ Magdala’ via het bos en natuurgebied omringd door meren, loop ik recht op een nieuw houten gebouw met één grote glazenwand. Ik zie mijn lichaam gereflecteerd in het glas…. versmeltend… met een prachtige schilderij binnenin achter het glas… Maria, Jezus in een mandorle. Een schilderij vol symboliek. Waarin een weg afgebeeld staat aan de voeten en verwerkt in de mantel van Maria. Aan de voeten Jeruzalem met verschillende gebouwen.
Geraakt door deze verwelkoming, vloeien tranen langs mijn wangen van vreugde.

Ik wandel verder langs het gebouw op zoek naar de zusters of de ingang. Tot ik midden de vierkantshoeve terecht kom – omgeven door een prachtige natuur – hoor ik stemmen. Aan een kleine venster roep ik, “is er iemand!”. “Ik kom”, hoor ik aan de andere kant. Een enthousiaste vrouw komt naar buiten in een lichtblauw gewaad in jeansachtige stof, met een wit hoofddoek op het hoofd. Sœur Christine van de fraternitéit van Jeruzalem. Al snel komt een tweede zuster erbij. “Heb je gereserveerd”, vraagt de zuster. “Ja via de website, maar kreeg geen antwoord. Ik dacht de zusters hebben het druk. En stuurde nog niet zolang geleden een tweede mail verwijzend naar de eerste. Ook hier geen reactie. Ik wist dat dit niet jullie gewoonte is. Ik liet het los en liep verder in vertrouwen. En voilà hier ben ik. “, zeg ik al lachend. “Och, we waren net aan het spreken over de website.” De zuster legt uit aan nog een ander zuster die ondertussen naar buiten kwam en zo leerde ik onmiddellijk drie zusters kennen. Een onweersbui verhinderde het e-mail verkeer.
Een fijn puur en open onthaal waar alles als een vloeiendheid verloopt. Christine neemt me mee naar een kamer, in wat vroeger een paardenstal was. Bij het openen van mijn deur krijg ik de boodschap, “Sluit altijd je onderste deur dat verhinderd de adders naar binnen te komen.” Slik, die was ik vergeten de voorbije dagen bij het buiten slapen zonder binnentent.
Een uitnodiging voor een koffie en een babbel, waar ik mijn verhaal deel en het waarom van mijn komst. De roeping om al of niet in te treden, het verloop en mijn tocht van volgend jaar naar Jeruzalem.

Het verloop van de dag indeling wordt meegedeeld en een groot deel van de gebouwen wordt me getoond. Er wordt gevraagd naar wat ik kan. “Zuster vraag me eerder wat doe ik niet graag en het antwoord zal korter zijn”, zeg ik al lachend. “Zuster hoe mag ik je trouwens noemen zuster, zuster Christine of mag het bij je voornaam zijn?”, vraag ik. “Christine is ok” Dit voelt goed aan.

Al heel snel wordt ik ingezet voor taken. Nieuwe vilten op de stoelen aanbrengen tot ik zie dat bepaalde stoelen uit elkaar beginnen te vallen.
Ik haal mijn houtkunde uit en begin de stoelen te restaureren in het Atelier. Een zalig plaats die al heel snel mijn favorite plaats wordt.
Bij het restaureren van een kast die bijna ineen valt, zie ik een telefoon. Naast de telefoon zie ik een briefje met nummers en namen. Geen 1,2,3….. wel 30 sœur…, 31 sœur Christine… Ik krijg een binnenpretje.
En wordt al snel duidelijk dat ik hier mag zijn… ZIJN….

Hier een kortfilmpje, en nog eentje…(komt later)

Hier wat beelden, en nog beelden, en hier.

Psaume 139

… In de verte zie ik Christian zijn weg verder zetten richting Le Chemin.
Terug naar de salle St. Jacques waar B. op me wacht.
In een gesprek deelt hij verder over zijn privé. Op mijn beurt deel ik hem de stappen die ik aan het nemen ben. “Oh, maar nu begrijp ik het, kan ik het plaatsen. Toen we gisterenmorgen samen aan tafel waren was er iets die mij triggerde. Ik kon het geen plaats geven. Ik voelde bij jou noch vrouw, noch man… het is alsof je daar boven staat”, deelt B.
“Jou delen raakt me B., dankjewel. Dankjewel om mij te zien.” Een traan rolt over mijn wang.

We vertrekken naar de winkel om boodschappen.
Nadien gaat B. naar de arts voor zijn been.
Wanneer hij terugkomt deelt hij wat ik reeds vertelde, een Tendinitis… rust, ijs, essentiële oliën van Helycrisum italicum, Gaultheria in Calophyllum.
12h…de klokken… Amai, wat is de morgen rap voorbij.
B. steekt zijn arm uit. Al grappend wandelen we over het plein naar de viering.
Wat hou ik van de vieringen met de fraterniteit van Jeruzalem. De gebeden zijn als mantra’s, zo noemen we dit vandaag, klinkt minder bedreigend, zoals Universeel, Vadershemels ipv God.
De synchroniciteit blijft verder gaan. De vele bevestigingen, die ik mag ontvangen zijn deugddoend en hartverwarmend.

De homélie…
Notre vie à la suite du Christ, notre vie de foi à toutes les caractéristique de la vie physiologique. Il y a une naissance, une vie qui grandit, une vie qui se nourrit de ses expériences.
Mais la comparaison s’arrête là, car arrivée à maturité, la vie naturelle, la vie humaine commence son déclin inexorable, la courbe s’inverse et les forces diminuent jusqu’à leur extinction.
Il en va tout autrement avec la vie qui est donnée par Dieu, certes elle aussi cette vie dans et de l’Esprit, peut décliner, s’assecher et nourrir. Tous ce qui détourne de Dieu peut nous faire réellement nourrir spirituellement, ne parle-t-on pas de péché mortel ?
Mais tel n’est pas la nature de cette vie que Dieu veut nous donner en partage.
Sa vie, une vie éternelle, infini.
Et si elle est infini, alors sa croissance n’a pas de limite en nous, notre vie de foi, notre vie à la suite du Christ ressuscité est toujours à nouveau appelée à grandir à ce développer, à faire de nouveaux progrès, à franchir de nouveau palier, de nouveau seuils, avec la grâce de Dieu.
Combien de paroles de Jésus, sont nudes, difficiles à entendre pour nous. On peut alors s’habituer à ne plus entendre ces paroles décourageantes.
On peut aussi récriminer secrètement contre elles, contre Jésus, avec toute sorte de stratagème au final faire dire au texte, à la parole de Dieu, ce que nous voulons lui faire dire.
Ayons le courage de regarder en face d’écouter ces paroles de Jésus qui nous scandalisent. C’est l’esprit qui fait vivre, la chair n’est capable de rien, les paroles de Jésus sont Esprit et elle sont vie.
A l’écoute des paroles de Jésus qui me scandalisent, me révolte, m’agasent, me déstabilisent… Qu’est-ce qui réagit, qu’est-ce qui dicte et orienté ma réaction: la chair, mon ego, mes peur, ma soif de pouvoir, de contrôle, de savoir, ou bien l’Esprit de Dieu qui se joint à mon Esprit.
Ce même esprit qui nous fait dire avec St. Pierre “Seigneur Jésus à qui irions nous ? Tu a les paroles de la vie éternelle, oui nous croyons et nous savons que tu es le Saint de Dieu. Sachons rendre grâce à Dieu qui veut voir notre foi grandir dans une liberté toujours plus adulte. Rendons grâce à Dieu pour sa patience et sa miséricorde. Rendons grâce à Dieu qui veut nous faire grandir dans la foi et la confiance. Rendons grâce à la confiance qui veut rendre libre de l’aimer et d’aimer nos frères, d’un amour toujours plus grand et plus fort. Vous donc soyez parfait, comme votre Père Céleste est parfait, oui seigneur je peux tout en toi qui me donne ta force, ton Esprit.

~Pierre Emmanuel, fraternité de Jeruzalem 24.04

Bij het verlaten van de viering deelt B al lachend, “Je vais t’appeler la Psaume 139.”
In de namiddag neemt B. contact met een priester. Wanneer hij terug komt vraag ik hem. “Alors tu a u une réponse satisfaite sur ta question sur l’Ancien Testament ?” “En a passé à coter”, zegt B.

Maandag ‘jour du désert’…geen Laudes bij de fraterniteit.
B. komt afscheid nemen – en ook al is zijn wandel-weg hier momenteel beëindigd, in drie dagen tijd zag ik hoe hij op een andere manier zijn pelgrimstocht mocht bewandelen – een knuffel, een zoen op de wang.
Ik vertrek naar La Cordelle, la Chapelle au pieds de la colline Éternelle, daar waar de Franciscanen in eenvoud geen vieringen delen.