Julien

Pour le Français voir 👇🙏

(06/12)Deze ochtend liep ik door Vieux Lyon richting de Colline de Fourvière, waar een religieus gebouw sinds mijn aankomst in de stad mijn aandacht trok.
Ik voelde een fluiditeit in mijn bewegingen en zijn. Daar kan ik zo van genieten.

Mijn blik viel op een huis, nummer 7. Iets verder nam ik een smalle straat met trappen: Montée de Barthélemy. Ik voelde even een vervelend gevoel bij die naam. ‘Neen, Jasmine. Je aandacht zal niet gaan naar wat de kerk heeft gedaan. Draai het om,’ klonk het door me heen. Ik voelde de behoefte mijn rozenkrans te nemen en deze op te zeggen tot boven op de Colline, voor de slachtoffers die de kerk maakte tijdens le massacre de Saint-Barthélemy.

Één ander huisnummer, 11 trok mijn aandacht. Tussen tal van graffiti stond in mooie kalligrafische letters: “Jeanne”. Een duif vloog voor me uit op de trappen. Boven aangekomen stapte ik de Basiliek binnen. Het voelde er goed en ik bleef er wat rondhangen. Een glasraam trok mijn aandacht bij de zachte witte en gouden tinten. Links een engel, vermoedelijk aartsengel Michael, een vrouw, een zwaard met lichtbundel onderaan, omringd door vuur, en een ster erboven. Rechts een andere vrouw, een engel met de staf van een pelgrim in zijn handen.
Ik vroeg een vrijwilliger om uitleg over deze figuren. We wisselden contactgegevens uit en hij beloofde later te antwoorden.

In de grote crypte, die zich over de volledige oppervlakte van de Basiliek uitstrekte, stonden Maria-beelden uit verschillende landen, elk met een verhaal van een wonder.
Een prachtige mozaïek beeldde het leven en de legende van de Heilige Jacobus uit. In de crypte werd ik gewaar dat ik er niet lang kon verblijven: ik werd wat onwel en voelde dat ik moest vertrekken.

Op de terugweg telde ik de trappen uit nieusgierigheid: 902 (11). Aan de overkant van de straat zag ik een tengere man, vreemd bewegend, zoekend, afwisselend stil. Ik bleef even bij de etalage van een boekenwinkel staan, en stapte toen naar binnen.

“Goedendag,” zei ik, “is het mogelijk de brandweer te bellen aub? Ik maak me zorgen om die man. In zijn staat, en met deze koude, vrees ik dat hij in de Rhône kan vallen.”
Terwijl ik hem observeerde, gingen 45 minuten voorbij. We werden van het ene telefoongesprek naar het andere doorgestuurd. Uiteindelijk stapte ik naar hem toe.

“Kan ik je helpen?” vroeg ik. Hij keek me vriendelijk aan. “Ik wil een taxi naar huis,” zei hij. Ik noteerde zijn adres in de kladblok van mijn telefoon. “Wat is je naam?” vroeg ik.
“Julien,” antwoordde hij.
“Julien, ik vrees dat de taxi je niet zal meenemen in de staat waarin je bent.” Zijn vest was bekleed met vlekken, zijn broek nat. “Heb je gedronken of drugs gebruikt?”
“Neen, ik ben in behandeling… Valium,”
begreep ik uit zijn woorden.
‘Kan je me vertellen welke richting ik uit moet?’ vroeg hij, terwijl ik wat fysieke afstand hield. ‘Je bent 3 km van huis, en in de staat waarin je bent zal je er niet geraken.’ Hij vertrok en ik zag hem tastend de straat oversteken.

Ik sprak de mensen van de boekenwinkel aan: “Dit is zijn adres, voor het geval er diensten komen. Ik zal hem vergezellen naar huis.”
“Dankjewel dat je dit doet,” zei de eigenaar. “Ik kan hem zo niet laten.”

Ik liep achter Julien aan. Toen hij de verkeerde weg nam, riep ik hem. “Kom Julien, ik ga je vergezellen. Zo zal je er niet geraken.”
“Wil je dit voor me doen? Wat is je naam? Je bent van België?” vroeg hij. Blijkbaar klonk mijn accent door.
Terwijl we liepen, vertraagde hij soms; zijn brein leek af en toe op ‘stop’ te gaan.
“Het is koud, en mijn knieën doen pijn.”
“Ik begrijp je,” zei ik. Ik moedigde hem aan in beweging te blijven, zijn handen in zijn vestzakken.
“Is het nog ver?” vroeg hij. Ik twijfelde. “Je bent als de pelgrims die ik dit jaar heb vergezeld, die vroegen hoe ver het nog was. Of zoals kinderen in een auto: ‘Is het nog ver?’ Ik zeg het je liever nog niet, zodat je moed niet inzakt.”, we lachend naar elkaar.

Moedig stapte hij verder, afwisselend voor me, dan naast me. De blikken van voorbijgangers varieerden van glimlach tot bezorgdheid.
“Ik heb het koud.”
“Ik zie het aan je kleur.”
“Waarom ben ik rood?”
“Blauw van de kou. Komaan, je bent er bijna, nog 800 meter.”
“Dankjewel,” zei hij.
“Graag gedaan. Herpak je he Lucien, dit kan de volgende keer fataal zijn.”

Bij het adres aangekomen, zag ik dat het een hotel was. Ik wachtte tot hij binnen was. De receptionist vroeg hem plaats te nemen. Ik keek uit het venster en zag Julien in een zetel, in slaap gevallen. In de warmte.

Ik keek op mijn telefoon en zag dat ik de mail had ontvangen met de uitleg over het glasraam.

Wordt vervolgd…

(06/12)Ce matin, je me suis promenée dans le Vieux Lyon en direction de la Colline de Fourvière, où un bâtiment religieux attirait mon attention depuis mon arrivée en ville.
Je sentais une fluidité dans mes mouvements et mon être. J’en profitais pleinement.


Mon regard s’est posé sur une maison, le numéro 7. Un peu plus loin, j’ai pris une ruelle étroite avec des escaliers : la Montée de Barthélemy. Un léger malaise m’a traversée à la lecture de ce nom. « Non, Jasmine. Ton attention ne doit pas aller vers ce que l’institut l’Église a fait. Retourne-le », résonnait en moi. J’ai ressenti le besoin de prendre mon chapelet et de le réciter jusqu’au sommet de la colline, pour les victimes du massacre de la Saint-Barthélemy.


Une autre maison, numéro 11 a attiré mon attention. Parmi de nombreuses graffitis, il y avait, en belles lettres calligraphiées : ‘ Jeanne’ . Une colombe a volé devant moi sur les marches. Une fois arrivée en haut, je suis entrée dans la Basilique. L’atmosphère était agréable et j’ai pris le temps de m’y attarder. Un vitrail a retenu mon regard avec ses teintes douces de blanc et d’or. À gauche, un ange, probablement l’archange Michel, une femme, une épée avec un rayon de lumière en bas, entourée de feu et surmontée d’une étoile. À droite, une autre personne , un ange tenant le bâton d’un pèlerin.
J’ai demandé à un volontaire si il connaissait  l’identité de ces personnages. Nous avons échangé nos coordonnées et il a promis de me répondre plus tard.


Dans la grande crypte, qui s’étendait sur toute la superficie de la Basilique, se dressaient des statues de Marie venant de différents pays, chacune racontant un miracle. Une magnifique mosaïque représentait la vie et la légende de Saint Jacques. Dans la crypte, j’ai pris conscience que je ne pouvais pas rester longtemps : je me sentais légèrement mal et j’ai ressenti qu’il fallait partir.


Sur le chemin du retour, par curiosité, j’ai compté les marches : 902 (11). De l’autre côté de la rue, j’ai aperçu un homme frêle, bougeant de manière étrange, cherchant, alternant moments d’immobilité et de mouvement. Je me suis arrêtée un instant devant la vitrine d’une librairie, puis je suis entrée à l’intérieur.
« Bonjour, » ai-je dit, « serait-il possible d’appeler les pompiers s’il vous plaît ? Je m’inquiète pour cet homme. Dans l’état où il se trouve, et avec ce froid, je crains qu’il ne tombe dans le Rhône. »
Alors que je l’observais, 45 minutes s’écoulèrent. Nous avons été transférés d’un interlocuteur à l’autre. Finalement, je suis allée vers lui.


“Puis-je vous aider ?” ai-je demandé. Il m’a regardée avec bienveillance.
“Je voudrais un taxi pour rentrer chez moi” , dit-il. J’ai noté son adresse dans le bloc-notes de mon téléphone.
“Quel est votre nom ?” demandai-je.
“Julien” , répondit-il.
“Julien, je crains que le taxi ne veuille pas vous prendre dans l’état où vous êtes.” Son gilet était taché, son pantalon mouillé.
“Avez-vous bu ou pris des drogues ?”
“Non, je suis en traitement… Valium” , ai-je compris de ses paroles.
“Pouvez-vous me dire dans quelle direction je dois aller ?” demanda-t-il, tandis que je gardais une certaine distance physique. “Vous êtes à 3 km de chez vous et dans l’état où vous êtes, vous n’y arriverez pas.” Il partit et je l’ai vu traverser la rue avec précaution.


J’ai parlé aux personnes de la librairie : “Voici son adresse, au cas où des services viendraient. Je vais l’accompagner chez lui.”
“Merci de faire cela,” dit le propriétaire.  “Je ne pouvais pas le laisser ainsi.”


J’ai suivi Julien. Lorsqu’il prit le mauvais chemin, je l’ai appelé.
“Viens, Julien, je vais t’accompagner. Ainsi, tu n’y arriveras pas seul.”
“Voulez-vous faire cela pour moi ? Quel est votre nom ? Vous êtes de Belgique ?” demanda-t-il. Apparemment, mon accent se percevait.
En marchant, il ralentissait parfois ; son esprit semblait s’arrêter par moments.
“J’ai froid, et j’ai mal aux genoux.”
“Je comprends,” lui ai-je dit. Je l’encourageais à rester en mouvement, les mains dans ses poches.
“Est-ce encore loin ?” demanda-t-il. J’hésitai. ” Tu es comme les pèlerins que j’ai accompagnés cette année, qui me demandaient encore et encore ‘c’est loin ?’. Ou comme les enfants dans une voiture : ‘C’est encore loin ?’ Je préfère te le dire plus tard, pour que ton courage ne baisse pas”, lui ai-je dit en riant légèrement.
Il avançait avec courage, parfois devant moi, parfois à mes côtés. Les regards des passants allaient du sourire à l’inquiétude.
“J’ai froid.”
“Je le vois à ta couleur.”
“Pourquoi suis-je rouge ?”
“Non, bleu du froid. Allez, tu es presque arrivé, encore 800 mètres.”
“Merci” , dit-il.
“Avec plaisir. Reprends-toi, Lucien, cela pourrait être fatal la prochaine fois.”


Arrivés à l’adresse, je vis que c’était un hôtel. J’attendis qu’il entre. Le réceptionniste lui demanda de s’asseoir. Je regardai par la fenêtre et vis Julien assis dans un fauteuil, endormi, au chaud.
Je consultai mon téléphone et vis que j’avais reçu le mail expliquant le vitrail.


À suivre…

11

Terwijl ik onder de Linde boom sta met de gekleurde en al reeds een tapijt aan bladeren op de grond, wordt ik me bewust dat mijn 4 de seizoen hier in Watou ten einde loopt.

Toen ik laatsleden te horen kreeg dat ik hier weg moest, krijg ik sedertdien continue de nummer 11 te zien. En nog altijd sedert mijn tocht ‘Mare a Mare- Mer à Mer-Mère à Mère’, 2 jaar geleden de nummers 31 (4) en 71 (8) te zien. Soms zo veel dat het me overdonderd.

Maandag zat ik ergens een koffie te drinken. Aan het venster staat een lamp. Toen ik in het venster keek was de reflectie van de lamp een 11.
In de namiddag had ik een één op één sessie met Anaïs Theyskens. Na een korte uitleg over het huis, de gebeurtenissen hier in het dorp in de laatste week van mijn 9 maanden hier hebben gewoond en mijn vertrek naar de Mont Saint Michel, mijn gewaarwordingen.
Ligt er een kaart op tafel een 11, met een bliksem als beeld.
De kaarten op tafel wijzen erop dat ik iets mag doorbreken. Opzoek mag gaan naar een veilige thuis, waar ik mag Zijn, vrijuit spreken zonder ik me moet inhouden…

’s Avonds schrijf ik een brief naar de Aertsengel Michaël en vraag ik om mij te helpen om koorden door te knippen.

’s Anderendaags bij opstaan schrijf ik een brief naar Thérèse de Lisieux en vraag ik haar aanwezigheid en hulp. Dankbaar dat Anaïs op mijn weg is gekomen.

Toen ik in een paar maanden geleden ‘les 7 routes’ de pelgrimstocht van de Aertsengel Michaël aan het stappen was. Werd ik in de laatste week gewaar dat Bretagne me riep, me aantrok. Beetje verwonderd niet wetend vanwaar dit gevoel. Dit liet me niet meer los. En ergens diep van binnen weet ik dat ik die roep te volgen heb.

Het is al een paar jaar dat Frankrijk me aantrekt en dat ik stappen onderneem maar uiteindelijk kwam het er niet van. Er was altijd wel iets die er tussen kwam. Of was het angst. Ja, deels wel.
Angst voor het onbekende, alhoewel wanneer ik op pelgrimstocht ben is iedere dag iets onbekend en toch heb ik het volledig vertrouwen in wat het leven me brengt en schenkt. Waarom zou ik dit hier dan niet vertrouwen. Omdat er een gevoel aanwezig is van ‘achterlaten’. Mijn loyaliteit naar mijn ouders.

Ik voel de laatste week mijn lijf in spanning gaan. De zoektocht naar een woonst speelt me parten en zorgt ervoor dat mijn vrij ademen belemmert wordt. Stress. Ik voel me bij de keel gegrepen.
Nog maar 2 maand om een woonst te vinden.

Vorige vrijdag ga ik even op stap naar Oost Vlaanderen naar de huidarts. Ik beslis bij de terug keer even in Gent af te stappen om een kaart te halen van Bretagne. En kies ervoor één trein later te nemen.
Op het spoor roept iemand me. Mijn nicht, familie langs mijn moeders kant.
We praten bij en delen wat ons leven van de laatste maanden.

Bij aankomst in West Vlaanderen zie ik een bericht op mijn gsm “Als je wilt mag je in het huis van mama gaan wonen. “. Het huis van mijn tante.
Ik word gewaar dat dit van alles met me doet….. Help….
Mijn hoofd slaat op hol. Bretagne, Menen, doorbreken, ik voel me uitgedaagd… Het gevoel dat ik één stap vooruit zet en twee achteruit. Waarom Menen, die net te maken heeft met iets doorbreken.
Een fikse huilbui barst los. Kort en krachtig. Ik herpak me. ‘Jasmine, komaan blijf bij de pinken. Wat heb je nu in de eerste plaats nodig. Een dak boven je hoofd waar het veilig en warm is.
‘ ja maar en Bretagne dan. Jasmine gun jezelf wat rust nu. Ook al zou je niet meer voor Menen kiezen. Het is maar provisoir.
Zo was ik een monoloog aan het voeren. Ik kwam rustiger en nam spontaan mijn pendel. Dit was een eeuwigheid dat ik deze had gebruikt. Ik kreeg op al mijn vragen een ‘Ja’.

Even naar Menen als tussenpauze om in alle rust een woonplaats te gaan zoeken in Bretagne. Dit heb ik NU nodig.

De dag nadien stuur ik een bericht dat ik het voorstel aanneem….
Mijn nicht maakt me er attent op dat we vrijdag de 11de zijn…

De rust komt terug. Wat heeft die huilbui deugd gedaan. Het ene en het andere word me duidelijk.

Op een bepaald moment komt er een beeld en boodschap binnen. Ik zie een stuk land vanuit vogelperspectief en een spiraal die uitreikt van zee naar zee.

Plots kan ik zien en wordt ik terug gereflecteerd naar momenten op mijn 9 jaar pelgrimeren waarbij bepaalde gebeurtenissen zuiver op één lijn komen te liggen.
In 2018 (11) wees een triskele me de weg naar Monte San’t Angelo en kwam ik op de lijn terecht van de aertsengel Michaël terecht zonder ik het bestaan ervan af wist.
De Triskele staat in het midden van de Keltische vlag die de 8 Keltische Naties representeren waaronder Bretagne.

Rocamadour was de eerste plaats tijdens mijn pelgrimeren waar er voor mij dingen gebeurden die ik mentaal geen plaats kon geven. 3 dagen kreeg ik huilbuien niet weten vanwaar het kwam er was ook geen oorzaak om.
De eerste dag begon het in de ruimte waar een zwarte madonna staat en boten hangen (die ik pas 3 jaar nadien had gezien na mijn tocht Mare a Mare) . De tweede dag stond ik er bovenaan op de rots recht over een kruis aan de andere kant van de rivier. Ik liep een kruisweg in omgekeerde richting. De derde dag waar ik op het binnenplein van het Sanctuaire stond. Ik zag de deur van de hoofdingang, de trap naar binnen en stond aan de eerste kapel van Johannes de Doper. De manier hoe deze plaats gebouwd is, in een spiraal was voelbaar en zichtbaar in mijn lijf.
En dan het moment dat men mij vroeg of ik deurwachter wilde worden van het sanctuarium. Zorg dragen voor het sanctuarium, voor deze krachtplaats. Wat een mooi en waardevol gebaar mocht ik toen ontvangen. En hoewel dat ik vereerd was en de behoefte zeker aanwezig was toch voelde ik dat de tijd er niet rijp voor was. En wat heb ik dit goed mogen aanvoelen.
De dag toen ik Rocamadour verliet kwam ik bij een man terecht. Hij wist me te vertellen “dat heb je goed gewaar geworden Rocamadour ligt namelijk op een leylijn.”

En dan mijn tocht Mare à Mare. Met het woord ‘Mira’ die ik 3x ontving in een droom en me nadien duidelijk de weg toonde richting ‘Magdala’ waar Thérèse de Lisieux op mijn weg kwam en me uiteindelijk naar hier bracht.
Telkens geraakt en aangesproken worden op plaatsen waar Maria in verbondenheid staat met het water, wat ze eigenlijk altijd is. Madre de la Barca in Muxia in de Finistère in Spanje, het houten kerkje van Maria in Mira. Notre Dame de la Baie in Saint-Pair- sur-Mer.

Rocamadour blijft in mijn Zijn aanwezig en ik wordt gewaar dat er iets is die aan het licht wens te komen. Ik herinner me een verhaal van een bel ‘La cloche miraculeuse de Rocamadour’, een boot, water. Ik ben nieuwsgierig en zoek op.
Deze wonderbaarlijke klok, is vervaardigd vóór de 9e eeuw en is van zeer zeldzame makelij. Deze werd gesmeed en niet gegoten, zonder windlade, met een soort handvat om hem aan de kluis te hangen. Ze getuigt van de bescherming van de Maagd Maria, “Ster van de Zee”, voor zeelieden in gevaar.
Aan de muur kan men data terug vinden waarop de klok uit zichzelf begon te luiden tijdens de gebeden en tussenkomst van Maria.
Beetje verder in de tekst zie ik staan ‘A Camaret sur Mer, une chapelle est érigée en l’honneur de Notre-Dame de Rocamadour.’

Ik zoek op waar Camaret sur Mer ligt…
In de Finistère in Bretagne op een paar 10 tallen kilometer van een Leylijn van Arcangel Michaël.

31 en 71

Liggend op het gras, kijkend naar de sterrenhemel en luisterend naar de krekels, denk ik aan Egypte, Luxor. Alsof het gisteren was. We zijn ondertussen drie maand verder.
Op een dag hadden Els – een Belgische vrouw wonende in Luxor – en ikzelf gekozen om samen naar de andere kant van de Nijl te gaan om boodschappen te doen en iets te gaan eten.
In een klein fair-trade winkeltje werden we verwelkomt door een lieve jonge dame. Haar mama, zat zo stil in een hoek dat ze me niet was opgevallen. Ik keek wat rond naar de artisanale spulletjes. Hoewel ikzelf geen nood had aan spullen zeker wanneer je geen huis hebt en minimaal leeft, voel ik me aangetrokken tot prachtige azuurblauwe mondgeblazen glazen. Ik neem er spontaan eentje vast en zeg ‘och, voor in mijn huisje’. Ik was verwonderd van wat ik zei. ‘Een huis en ik heb er geen! ‘, zeg ik tegen Els. Ik voelde echter dat de uitspraak kloppend was tot in mijn buik. Een begin van een nieuwe fase kwam aan het licht.

De weken gingen voorbij en ik werd me meer en meer bewust van wat Egypte me bracht. De Djed, de vleugels, de slang, de Lotus, de Dendera tempel
Zelfs in Egypte bleven de cijfers 31 en 71 zichtbaar, hoewel onze taal er niet is, vond iemand het leuk om me via mijn gsm’s wat te plagen. Wanneer ik op mijn ene telefoon keek – die dienst doet als telefoon en internet – bijvoorbeeld 31 zag duwde ik hem weg omdat ik het niet wou zien. Dan nam ik de andere – die dienst doet als caméra- en zag 71 staan. Ik werd er pieponnozel van. Weglopen was duidelijk niet mogelijk, hihi.
Ik verbleef in Luxor 3 weken in éénzelfde huisje naast Samir mijn buurman. Hoewel het contact herleid werd naar een goede dag, het delen van onze dag op de hoek van de straat, een glaasje drinken. Iedere dag kwam ik hem ergens tegen en wachtte hij me op met een grote hartgedragen glimlach. Als ik eraan terug denk voel ik vreugde, zie en hoor ik zijn glimlach en vooral voel ik een heel nauwe verbondenheid met hem. Twee vertrouwde zielen die elkander terug hebben ontmoet. Tijdens die drie weken zag ik voortdurend 11:11 die terug kwamen. Ik wordt me nu bewust terwijl ik erover schrijf dat deze verdwenen zijn en zachtjes uitgedoofd zijn op mijn weg richting Europa.
Ik genoot in het huur huisje van het koken, van het op bezoek gaan, te verwelkomen, boodschappen doen…
Zo groeide de weg stilletjes aan naar een woonst.

De weg naar een vaste plaats kreeg verschillende vormen in mijn gedachten. In Egypte blijven, want ik voelde de fijne diepverbonden band tussen Samir en mij. Deze band was voor mij duidelijk op zielsniveau en voel dat balans tussen het ratio, het hart en het lichaam mij helpen om het in een andere vorm die onbegrenst en vrij is neer te zetten en te transformeren in de niet tastbare en tastbare materie.

Rond ‘Magdala ‘ gaan wonen dicht bij de fraternitéit om hen af en toe te helpen. Voor diegene die me nog niet lang volgen.
Ik werd richting ‘Magdala’ geduwd na een droom met het woord ‘Mira‘. Ik ben daar het afgelopen jaar op regelmatige basis geweest. De plaats, de mensen toonde me op verschillende manieren dat intreden niet mijn weg was, wel mijn eigen weg te blijven volgen en naast en met hen een weg samen af te leggen. Niets gebeurd zomaar.

En toen hoorde ik mijn vader die hulpbehoevend werd en stelde hem voor om samen te wonen. Na een ja te hebben ontvangen en met een open hart naar hem toe te zijn gegaan werd ik op een sluwe manier de deur gewezen. Het meisje in mij had blijkbaar nog een les te leren. En hoewel ze pijnlijk was, zie ik vandaag welke nut ze heeft gehad en kan ik in dankbaarheid mijn weg verder.

Het leven toonde me duidelijk dat dit niet de wegen waren die ik diende te nemen.
En voor mij is het allang duidelijk dat iets doen vanuit een zeker opvoeding regel, iets zoeken omdat het op één of andere manier ons zo aangeleerd en getoond wordt, het toch niet tot stand komt. Het zoeken naar een woonst greep me letterlijk bij de keel waardoor ik besefte dat mijn weg vertrouwen is en dat het leven mij gewoon zal schenken wat ik nodig heb. Dus bleef ik verder surfen op de zalige golven van het leven.
En zo kwam ergens vanuit het niets een prachtig levensgeschenk.
Egens in augustus zei een hartsvriendin me terwijl we gezellig aan het tafelen waren, “oh, ik denk nu aan iets. Ik ken een huisje die echt voor jou zou zijn.”
En zo rolde een balletje en kreeg ik rond 15 augustus een beeld te zien van een huisje. Als mijn bekken het met woorden of klanken had kunnen uitdrukken was het oneindig hoorbaar. Ik kan er geen woorden opkleven, één iets was duidelijk mijn lichaam had geen twijfel en ik kreeg een volle ‘JA’ op het leven, het huisje en nog zoveel meer. Ik vertrouwde zo wat ik voelde, gebeurde, dat het zelfs overbodig was om het huisje eerst te zien voor ik ja zei.
En zo begreep ik ook mijn terugkerende 31 en werd ik gewaar wat de 71 betekent.