Duizend jarige Eik

 

Jasmine Debels (1 van 3)

Duizendjarige Eik

Spek, eieren, vers gebakken brood. Een stevig ontbijt. Een sms van Peter naar Elfried: ‘Waterfles niet vergeten in de koelkast’. Schattig! Mijn uurwerk. Oeps, bijna tien uur. De vraag ‘waar ben je morgen om elf uur?’ van Jacqueline was me ontsnapt. Nog een selfie en ik vertrek richting ‘de duizendjarige eik’.

Ik verlaat vandaag Limburg en ga terug Vlaams Brabant binnen. Een witte bestelwagen stopt. Een vrouw met een gevulde broodzak in de hand. De bakker. ”We hebben elkaar al eerder gezien op de weg”, vertel ik de vrouw. “Ja, waar gaat u eigenlijk heen?” “Naar de duizendjarige eik!” “Oh, dat is niet ver meer”, en de vrouw wijst me de weg. Ze stapt in de auto, claxonneert en roept “Veel geluk!” door het venster. Wandelend op het voetpad neem ik de gsm. Het notitieboekje. Ik noteer in het kort het voorbije gesprek. Aan mijn rechterkant iets blinkend. Metaalkleur. Het komt dichterbij… Te dicht. Een wagen in achteruit. Een paar seconden, meer is niet nodig. Mijn wandelstokken. Het geluid van metaal. Mijn hand, waarmee ik me afduw. Een kreet. Een sprong naar links. “Ben ik niet zichtbaar genoeg?!”, roep ik geschrokken naar de chauffeur. Hij stapt uit. “Sorry, ik had je niet gezien. Ik was gehaast. Gaat het met je?”, vraagt de man, zelf ook geschrokken. “Haast en spoed is zelden goed en het is ok met me”, meld ik, beseffend dat dit voor mij ook geldig is. “Ik was zelf niet honderd procent aanwezig op de weg, mijn excuses.” Ik steek mijn hand uit. Een stevige handdruk. De man krijgt tranen in zijn ogen. Ik geef hem een schouderklopje. “Je leeft maar één keer”, voeg ik toe. Ja, Jasmine, je leeft maar één keer. De telefoon verdwijnt in mijn zak.

Aan de eik lees ik de geschiedenis. Aan de andere kant zie ik een gekleurd jasje en hoor ik twee bekende stemmen. Een blij weerzien, een onverwachte ontmoeting. Jacqueline en Lieve, twee vriendinnen.

Een groot deel van de tocht wandelen we samen. De tijd vliegt. Uitgehongerd komen we om half drie aan in Diest. ‘Wannes Raps’. Ik word getrakteerd op een overheerlijke maaltijd. Een dubbele verrassing. Dank je dames. We bezoeken samen de prachtige Sint-Sulpitiuskerk en nemen dan terug afscheid van elkaar. Nog 7 km, Scherpenheuvel. Naar de basiliek. Naar  onthaalcentrum ‘De Pelgrim’. Ik bel aan. Peter en pater André ontvangen mij.

GPX bestand Eversel naar/à Diest

GPX bestand Diest naar/à Aarschot

Le chêne millénaire.

Des œufs et du lard, du pain frais. Un petit déjeuner copieux. Un sms de Peter à Elfried:  ‘Ne pas oublier la bouteille d’eau dans le réfrigérateur.’ Mignon! Ma montre. Holà, presque dix heures. La question, ‘ou es-tu demain à onze heures’, posée par Jacqueline m’a échappée. Encore un selfie et je pars vers le chêne millénaire.

Je quitte aujourd’hui le Limbourg pour rejoindre à nouveau le Brabant Flamand. Une camionnette blanche s’arrête. Une femme avec, dans les mains, un sac rempli de pain. La boulangère. “Nous nous sommes déjà rencontrées sur la route”, lui dis-je. “Oui, où allez-vous réellement?” “Au chêne millénaire.” “Oh, cela n’est plus loin”, et la femme me montre le chemin. Elle monte dans la voiture. Un coup de claxon et elle crie par la fenêtre, “Bonne chance!” Marchant le long du sentier je prends mon gsm, le bloc-note. J’écris en bref la dernière conversation. Sur ma droite quelque chose brille, de couleur métallique. Cela se rapproche…trop prês. Une voiture en marche arrière.

Quelques secondes, pas besoin de plus. Mes bâtons de marche. Le bruit du métal. Ma main qui me pousse au large. Un cri. Une esquive vers la gauche.  Surprise, je crie au chauffeur, “Ne suis-je pas assez visible?” Le chauffeur descend. “Mes excuses, je ne vous avais pas vu. J’étais pressé. Ça-va pour vous?”, me demande l’homme, lui aussi surpris. Je lui signale,  “Vite et bien ne vont pas ensemble et moi ça va”, me rendant compte que c’est aussi valable pour moi. “Je n’étais moi-même pas cent pourcent attentive au chemin, mes excuses.” Je lui tends la main. Une poignée de main ferme. L’homme a les larmes aux yeux. Je pause ma main sur son épaule. Et je rajoute, “On ne vit qu’une fois.”

Oui Jasmine, tu ne vis qu’une fois. Le téléphone disparait dans ma poche. Arrivée au chêne, je lis son histoire. De l’autre côté je vois une veste colorée et j’entends deux voix familières. D’heureuses retrouvailles, une rencontre inattendue. Jacqueline et Lieve deux amies.

Nous faisons une grande partie du parcours ensemble. Le temps passe vite. Affamées nous arrivons vers deux heures trente à Diest. ‘Wannes Raps’(un restaurant). On m’offre un délicieux repas. Une double surprise. Merci mesdames. Nous visitons ensemble la magnifique église de Saint-Sulpice et prenons congé. Encore 7 kilomètres pour Scherpenheuvel. Vers la basilique. Vers ‘le Pèlerin’ un centre d’accueil. Je sonne. Peter et père André me reçoivent.

 

Babbelwater

 

Jasmine Debels (1 van 1)

“Ik had nooit gedacht dat ik iemand vreemd in huis zou laten slapen”, vertelt Jeannine me bij het buitengaan. “Goed gedaan hé! En dat heb je schitterend gedaan. Je bent gaan voelen en hebt tijd genomen bij het nemen van de beslissing. Knap!” “Oh, misschien kan je aan onze kleindochter denken”, zegt Jeannine. Haar kleindochter wordt binnen twee dagen geopereerd. “Dat zal ik zeker doen. Ik neem ze met me mee in gedachten.”

De dag begint met regen. In de verte een hoge heuvel, de Mijnsteenberg. Voelt vreemd aan. De regen valt met heel fijne druppels op mijn regenjas. Het valt me op hoeveel sigarettenpakjes, lege flessen van energie- en suikerdranken er langs de weg liggen. Is er dan zo weinig respect voor moeder natuur? Weegt dit zo zwaar om mee te nemen en ergens in een vuilbak te deponeren? In de verte een geel fluohesje, een kruiwagen, een hark. Jeroen. Jeroen werkt al elf jaar voor de groendienst. Als ik dan zie met hoeveel zorg hij met de aarde omgaat, kan ik alleen maar denken en zeggen: “Heb respect voor het werk van deze mensen en draag zorg voor de natuur die we van moeder aarde hebben gekregen.” Het blijft regenen en het ziet ernaar uit dat dit voor de rest van de dag is. Rechts, links, zoveelste straat links, 50m, 100m… Op een bosweg vraag ik me af waar ik mee bezig ben. Ik zie mijn thuis voor me in gedachten. Een zetel, pot koffie, dekentje, muziek, een boek… luieren. Wat verder een huis, een vierkante rooster in de gevel. De dampkap. De keuken. De geur van grootmoeders keuken. Voor mijn ogen: verse frieten, een paardenbiefstuk, boerenboter… zaterdagse kost bij grootmoeder. De pan om uit te likken. De vogels brengen me terug op de weg. Dit was toen…lang geleden.

In Zolder stap ik binnen in een visserskantine. “Uw vliegtuig is al vertrokken”, roept een man me toe. Ok, laten we even meedoen, denk ik bij mezelf. “Das nen goeie, den deze had ik nog niet gehoord. Ga je skiën? Ben je op zoek naar sneeuw? Er zijn hier geen bergen. Een wandelende rugzak…een parachute, ja, maar zo had ik het nog niet gehoord. Dankjewel!” Stilte.

Rond achttien uur kom ik aan in Eversel. De Sint-Jacobskerk is dicht. Ik bel aan bij pastoor Frans voor de sleutel. “Waar ga je nog naartoe?”, vraagt de pastoor me. “Dit is mijn eindpunt voor vandaag. Kan u me helpen, meneer pastoor?” “Ik heb wel een kamer, maar geen bed.” “Geen probleem, ik heb een slaapmatje en slaapzak.” “Ik ben niet thuis tot rond middernacht.” Ik heb het ondertussen begrepen. Verder zoekend kom ik bij Peter en Elfried. Wat weet ik het te appreciëren, wanneer je als pelgrim je onmiddellijk thuis kan en mag voelen. Dit betekent heel veel op een lange weg, je thuis mogen voelen. Peter belt de zus van Elfried om op bezoek te komen en elkaar te ontmoeten. Zij deden een deel van het Jacobskerkenpad met de fiets. Een douche geeft me terug energie. Daarna volgt stamppot met worst: een welgekomen maaltijd na een sombere regendag… We hebben nog een goed gevulde avond en ik heb zo een vermoeden dat er babbelwater in de stamppot zat.

GPX Bestand Opglabbeek naar/à  Eversel

essence de bavardage…

“Je n’aurais jamais pensé laisser un étranger dormir dans ma maison”, me dit Jeannine en sortant. “Formidable hein! Et tu as fait cela brillamment. Tu as tenue compte de tes sentiments et tu as pris ton temps pour prendre ta décision. Super!” “Oh, peut-être pourrais-tu penser à notre petite fille”, me demande Jeannine – sa petite fille se fait opérer dans deux jours – “Je le ferais certainement. Elle m’accompagne en pensées.”

La journée commence sous la pluie. Au loin une haute colline. Sensation bizarre. Le ‘Mijnsteenberg’ (un terril). La pluie tombe en crachin sur mon imperméable. Je remarque combien il y a de paquets de cigarettes et de bouteilles de boisson énergisante vides, le long de la route. Y-a-t-il si peu de respect pour la Terre-Mère? Est-ce si lourd à emporter jusqu’à une poubelle?

Au loin une veste fluorescente jaune, une brouette, un râteau, Jeroen. Jeroen travaille déjà depuis 11 ans au service de l’environnement. Quand je vois le soin avec lequel il travaille la terre, je ne peux que penser et dire, “ayez du respect pour le travail de ces ouvriers et prenez soins de la nature que la Terre-Mère nous a donnée.”

Il continue de pleuvoir et cela à tout l’air de vouloir durer le reste de la journée. À droite, à gauche, la quantième rue à gauche, 50m, 100m… Sur un chemin forestier je me demande à quoi je suis occupé. Mes pensées m’entrainent vers ma maison. Un fauteuil, une tasse de café, une couverture, de la musique, un livre…farniente.

Un peu plus loin une maison, une grille carrée dans la façade. Une hotte aspirante! La cuisine. L’odeur de la cuisine de grand-mère. Devant mes yeux, en image, des frites fraiches, un bifteck de cheval, du beurre de ferme…repas du samedi chez ma grand-mère. La casserole à lécher… Les oiseaux me ramènent au chemin. C’était…il y a longtemps…

À Zolder j’entre dans une cantine de pécheurs. “Votre avion a déjà décollé”, me crie un homme. Je me suis dit; bon, jouons le jeu. “Elle est bonne celle-là, je ne l’avais pas encore entendue. Tu vas au sport d’hiver? Tu cherches de la neige? Il n’y-a pas de montagnes ici. Un sac à dos qui marche… Un parachute, tiens celle-là on ne me l’a pas encore dite. Merci!” Silence!

Vers dix-huit heures j’arrive à Eversel. L’église Saint-Jacques est fermée. Je sonne à la porte du curé pour la clé. “Tu vas où?”, me demande-t-il. “C’est mon terminus pour aujourd’hui. Pouvez-vous m’aider monsieur le curé?” “J’ai bien une chambre mais pas de lit.” “Pas de problème, j’ai une natte et un sac de couchage.” “Je suis absent jusqu’aux environs de minuit.” Entre-temps j’avais compris. En cherchant plus loin j’arrive chez Peter et Elfried. Qu’est-ce que j’apprécie le fait de pouvoir et de savoir me sentir la bienvenue comme pèlerin. Cela est très important durant un long parcours, de se sentir chez soi. Peter téléphone à la sœur d’Elfried et l’invite à nous rejoindre, enfin de se rencontrer. Ils ont fait le chemin des églises Saint-Jacques de Flandres en bicyclette. Prendre une douche me redonne de l’énergie. Après cela une ratatouille et de la saucisse: un repas bienvenu après une journée sombre et pluvieuse. Nous passons une soirée bien remplie et j’ai comme l’impression que dans la ratatouille il y avait de l’essence de bavardage…