Zes dagen wandelen tussen Vilanova de Arousa en Tui, daar waar ik nu ben. Tui is de laatste stad van Spanje voor ik de ‘Rio Minho’ oversteek naar Portugal. Ik probeer even achteruit te kijken om wat over deze dagen te schrijven. Dit wordt voor mij minder en minder eenvoudig, vooral wanneer in het Nu leven zo een plaats heeft ingenomen. Eén van de reden waarom mijn schrijven minder is geworden, want neerschrijven is telkens achteruit in de tijd en dit vraagt veel van mijn hersenen.
Ik heb genoten van de wandeldag vóór Tui. De reden hiervan is dat de weg via een prachtig natuurgebied kwam, gelukkig liep hier de Camino gelijk met een GR pad. Het GR pad waar vaak negatieve reacties op komen door pelgrims/hospitalier die vastgepint zijn op de gele pijlen en niet van de weg willen afwijken … het is te lang, dit is geen Compostela weg. Het valt me wel telkens op dat daar waar de GR doorloopt de pelgrims dit een mooie weg vinden, een mooi gebied… zo is de meest bewandelde/bekende Camino weg naar Compostela de ‘Podiencis’ in Frankrijk en waarom is hij zo mooi omdat GR paden niet meer dan 25% asfalt is (want anders mag dit geen GR pad genoemd worden). Ik vraag me af hoeveel pelgrims/hospitaliers zich hiervan bewust zijn. Voor wie de GR paden graag neemt en graag veel in de natuur wandelt raad ik jullie de app Mapy. Cz aan. Met deze app kan je zelf spelen en kiezen welke je bewandelt per dag.
Zo heb je op de Spiritual, de etappe tussen Vilanova de Arousa en Armenteria. De eerste deel is een loutere Camino (10km asfalt) om dan de gezamenlijke route te nemen van een plaatselijke GR (12km) de weg verandert onmiddellijk van ‘klimaat’ langsheen een historische natuurlijke wandelweg de ‘Ruta da Pedra e da auga’ die voortdurend parallel loopt met de Rio Armenteira. Een aanrader.
De etappe na Armenteira doorbrak ik na Combarro de camino route en bleef ik de kustlijn volgen op de plaatselijke wandelroute van ‘Ruta des Ostras’, mijn benen wisten deze keus goed te appreciëren. Zachte ondergrond, schaduw, zeelucht, korter, en geen lange voorstad met asfalt, wel een zacht landen in de stad Pontevedra.
Na Pontevedra mocht ik terug op een harde manier contact maken met de grond. In 1 sec. lag ik languit horizontaal geplakt tegen de aarde. Wakker ben je onmiddellijk! Ik besefte dat volle maan op komst was. Duidelijk dat er iets opkomst is en verandering noodzakelijk is. Dat ik mag landen is goed voelbaar binnenin op verschillende vlakken zowel fysiek voelbaar, in mijn bekken gebied, en ook het verlangen naar een tastbare woonst. … Maar zo hard hoefde het echt niet. Ik kus liever de grond op een zachte manier. Ik vraag hulp en deel met een gelijkgestemde lieve sister over de val. Onderwerp rechterknie, linker onderrug. We wisselen met elkander uit. Soms is maar één woord of zin noodzakelijk om verder vooruit te kunnen en iets los te maken.
Op één dag kwam ik telkens dezelfde huisnummers tegen. … 31….71… Aangekomen in Redondela in de albergue was de huiscode 3105… Hi, ik had een binnenpretje toen ik het zag. ‘thuiskomen… op aarde komen…landen…nieuw levensjaar… In de albergue ontmoet ik een dame. We slapen samen in een compartiment van 4 bedden. “Hi, my name Jasmine. Nice to meet you.” “HI, I am Mira”, een dame uit België wonende in England, niet zo een courante naam, zou ik zeggen. Blij, heel blij dat ik haar mag ont-moeten. Later deel ik haar mee wat Mira voor mij betekent op deze tocht. We eindigen de avond met een fijn delen over de weg, vooral de spirituele weg en hoe we in het leven staan. Het was deugddoend om een gelijkgestemde te ont-moeten op de weg.
Ondertussen is het in de bar hier wat drukker geworden. Roepen mijn benen om in beweging te komen. Schijnt de zon buiten en na een dagje rust in Tui… Tijd om verder te stappen…. Tot…
PS. Graag post ik een beeld hierbij de tekst over de graden die er wordt gemeten op de grond bij niet gemaaid, gemaaid en asfalt. Zo kan men eens een zicht hebben op wat het ook kan teweegbrengen in het lichaam.
In de eetkamer van de monniken. Een bijzonder Maria beeld.
Ik verlaat het klooster van Herbón na een gesprek met de hospitaliero en 2 dames (pelgrim, hospitaliero en die in het bestuur zitten van een Santiago vereniging in Spanje) die de avond voordien in het geniep paspoort gegevens op het register van de hospitaliero aan het fotograferen waren. Na een nachtje erover te hebben geslapen voelde ik dat het noodzakelijk was dit te delen met de hospitaliero. De dames probeerden langs alle kanten hun onschuld te bewijzen terwijl ik ze op heterdaad bezig had gezien en gehoord had naar wat ze op zoek waren en ook persoonlijk had aangesproken dat dit niet kon. Ik maakte duidelijk dat bewijzen, of gelijk willen halen hier niet aan de orde waren. Wat geweest is, is geweest. “I hope that it not start again”, deel ik met de dames. “Grazia Jasmine and excuse me”, zei de hospitalero. “I trust the pelgrims and I have learn my lessons, I never let my registre free on the table again.” Hij dankte me voor mijn openheid, rechtuit zijn en eerlijkheid.
Franciscanen klooster Herbón
Het Franciscanen klooster in Herbón tellen nog drie monniken. Gisterenavond waren we – na een rondleiding door een oud- leerling – met vijf pelgrims die de pelgrimszegen ontvangden. We kregen een document van het klooster in verschillende talen, waarbij ieder afzonderlijk in haar eigen taal de tekst deelde. Het was een heel ontspannen en vreugdevolle zegen. De Franciscanen van dit klooster waren de eersten die de peper van Padrón ‘Pimientos de Padrón’ en aardappelen mee brachten uit Mexico naar Spanje.
Van hieruit kies ik voor de CaminoEspiritual en stap ik richting de haven in Pontecesures waar ik hoop de boot te kunnen nemen tot in Vilanova de Arousa.
Gelukkige is het hoogwater pas tegen 12u en kan ik meevaren met ‘La Barca de peregrinos’. Terwijl ik sta te wachten bekijk ik in grote lijnen mijn weg richting Zuid Portugal. Ik vergroot wat de kaart op mijn app en kijk waar Braga ligt, tussen 2 steden zie ik een kruisje en klik ik erop ‘Capela Santa Maria Madalena’ . Bij de aankomst van de boot stapt een grote groep pelgrims af. Een school blijft nog zitten, samen met hen keer ik terug naar Vilanova.
Het varen begint over de ‘Rio Ulla’. De leerkrachten samen met de kinderen beginnen te dansen op folklore muziek uit Galicia. Hoewel de rust een welkome was geweest tijdens het varen, geniet ik mee en voel ik de vreugdevolle stilte in mezelf. terwijl deze vreugde gans mijn lijf vult, tranen parelen in mijn ogen. De wind blaast in mijn haren, mijn ogen sluiten en geniet.
Varend naast het zien van een eerste kruis, langs de rivier speelt het liedje ‘I want to Break free’ van Queen… Gods knows, Gods knows I want to break free. Even onder een brug door en de ‘Torres del Oeste’ is zichtbaar, een nationaal monument in Galicia. Aan een volgend kruis langs de oever hoor ik ‘Jerusalema’ van Master KG. Ik krijg een binnenpretje. Een volgend lied, eentje vanuit de oude doos waar ik de titel mij nu ontsnapt, als zowel de lyrics. Wat ik me wel heel goed kan herinneren was de tekst en zijn betekenis… ‘ik zal je onder mijn armen nemen… vertrouw…’. En om te eindigen ‘Over the rainbow’ van Israel Kamakawiwo’ole. Zalig !
’s Avonds blijf ik overnachten in Vilanova. Drie portugese dames komen aan in de albergue municipale. Eentje draagt er een tambour.
Ik voel dat er binnenin weer van alles aan het bewegen is en komt de gewaarwording terug naar boven waarin mijn lichaam in een soort innerlijke huilbui terechtkomt en voorlopig de weg niet naar buiten vind. Ik voel de noodzaak om klank te geven aan deze gewaarwording. Voor ik de ruimte verlaat vraag ik de dame naast me, terwijl ik wijs naar een ander bed of de tambour van haar is. De vrouw maakt teken, ze is doofstom, en maakt duidelijk dat het van haar zus is. Zonder woorden, in stilte hebben we een kort delen. Nadien had ik er spijt van dat ik niet heb durven vragen om samen muziek te spelen.
Vanuit Muxia neem ik rechtstreeks de bus naar Compostela. Aangekomen voel ik me verheugd dat het busstation op het begin ligt van mijn weg richting Portugal en ik niet de stad moet doorkruisen. Momenteel bevind ik me op de camino Portugues en de Via Mariana (Muxia naar Braga, wat ik eerst dacht te nemen via het binnenland) echter het water roept, ik stap verder richting de kust van Galicia.
Het voelt wat vreemd, wel best leuk om in tegenrichting te stappen. Het is vooral boeiend om het non-verbale te zien en te horen wat de reacties zijn bij mensen wanneer je elkander kruist… en pssstt… een hevige snurker gaat ’s anderendaags de andere kant op.
Een pelgrim kwam me voorbij en nog vóór ik iets gezegd had, keek hij me aan en zei’ Grazie’. Hmm, kon hij mijn gedachten lezen of was het eerder een automatisme op de ‘Buen Camino’. Een andere pelgrim: “euh, ben ik verkeerd”. “dat denk ik niet. Blijf trouw aan je weg.” Ongelofelijk hoe snel iemand kan gaan twijfelen aan zijn eigen weg, wanneer iets niet in een bepaalde stroom gaat. Twee mannen bijna al huppelend op de weg, “och, geen zin om te eindigen”, roept een man me toe. “Er is geen einde”, terwijl ik mij omdraai en mijn hand opsteek.
Mij weg verloopt hoofdzakelijk over asfalt. Eerst verlaat ik Compostela via een onaantrekkelijke weg met drukke wegen, en een commerciële deelgemeente om dan later en daar ben ik blij om, de rust te vinden in de straten van kleine dorpjes, afwisselend onder bossen.
De zon helpt de gele brem om het maximum van zich te laten zien door hem te helpen zijn zoete geur vrij te laten. Af en toe kan ik de geur waarnemen van oranjebloesem.
In een dorpje staat een vrouw aan haar venster te kijken hoe ik een groene houten deur fotografeer, zo eentje die al vele jaren heeft gekend en afgesleten hoeken en kieren. Wanneer ik vertrek wensen we elkander een goedendag terwijl we naar elkander zwaaien. “La más bonita puerta del pueblo”, deel ik nog. Een grote glimlach verschijnt op de vrouw haar gezicht.
Het voelt vertrouwd en zo goed om richting Portugal te stappen. Heel subtiel en in zachtheid komt er af en toe iets in mij duwen om aan het licht te komen, en voelt mijn Zijn alsof het wenst te huilen en terzelfde tijd een grote nood heeft om klanken te maken opborrelend vanuit mijn diepste Zijn. Als een waterbron die wenst te ontstaan.
4 dagen stappen waren er tussen Santiago en Muxia. Vier (aarde) dagen over Moeder Aarde wandelend richting zee. Sedert ik Santiago achter mij liet, is er een volledig andere klimaat voelbaar en hoe verder ik me verwijderde van Santiago hoe zachter het werd. Mijn pijn in mijn rug is niet meer voelbaar.
Wanneer ik even stilsta en zie vanuit welke richting ik kom, is het ook niet raar wanneer ik er de geschiedenis/het verleden erbij zou halen en zie wat op deze weg allemaal gebeurde. Laten we dan ook nog zwijgen over wat gebeurde in het lang verleden op het grote plein voor de kathedraal van Santiago. Allemaal verhalen rond macht en rijkdom.
Sedert ik in Muxia aangekomen ben voelt het hier heel zacht, rustig, gedragen. Een gedragen plaats voor wie werkelijk zich wenst te herbronnen. Ikzelf stap verder richting Zuid Portugal.
Terwijl ik vandaag een rustdag nam om ‘la mer’ tot mij te laten komen, had ik niet onmiddellijk de link gelegd dat het vandaag 8 mei is en moederdag werd gevierd. Wat een synchroniciteit.
Na het telefoontje wandel ik tot aan le sanctuaire ‘Nosa Señora de Barca’ waar ik een misviering bijwoon. De kerk zit vol. Tijdens de viering vroeg ik me af hoe het zou zijn om alles wat binnenin is te verwijderen en de kerk in zijn puurheid zou gezet worden, gewoon de steen, waar de mens de kans zou krijgen dichter bij de essentie te komen en niet een mantel zien. Geen zorgen om de tastbare uiterlijke ‘Rijkdom’. Waar de deuren zouden kunnen openblijven tussen twee diensten zonder angst dat er gestolen zou worden. Eén van de grootste reden dat kerken niet toegankelijk zijn midden de stad. Een plaats waar men midden de drukte tot stilte zou kunnen komen. ‘Stilte’ daar waar de werkelijke ontmoeting ligt.
Na de viering ga ik op de rotsen staan voor de kerk uit kijkend naar de grote open blauwe vlakte, de Oceaan. ‘La Mare’ hoe men ze hier noemt. Steunend met mijn rug tegen een rots, valt mijn oog op een amandelvormig symbool, een oog, gegrift in de rots. ‘Mira’, waar ‘zien en Oceaan’ samen komen.
‘Mira’
PS. Voor wie tot naar Muxia gaat vergeet vooral niet om even aandacht te schenken aan het grote stenen krachtig kunstwerk die er staat. Een kunstwerk met een diepere, bredere betekenis dan de kilometer nul paal die er staat.
Wat voelt het goed dat ik Compostela heb verlaten, hierbij is al een pak spanning die op mijn lijf was, verdwenen met de noorderzon. Vóór Compostela dacht ik nog, ik moet een osteopaat zien want ik kon gewoon mijn bed niet uit. Mijn bekken draaide niet mee, ik stond geplooid en had geen kracht in bovenbenen. Was genoodzaakt om op een nacht 2 pijnstillers te nemen, een zeldzaamheid wie me goed kent. En hoe meer ik Santiago naderde hoe meer mijn lijf zich vastzetten en er spanning voelbaar was. Maar diep in mij vertrouwde ik erop dat het zou verbeteren wanneer ik verder naar de zee stap, naar het water toe, ook al had ik er stiekem (mentaal) twijfel in.
Hoewel ik deze plaats in 2014 reeds voor de eerste keer mocht zien en tranen laten bij het aankomen – niet raar wanneer je de moed hebt om alles achter te laten en de beslissing neemt om 2500km te wandelen, met de bedoeling jeZelf te ontdekken -, heb ik nooit voeling gehad met deze plaats. Want voor mij is het ‘onderweg’ zijn belangrijker, die onverwachte ontmoetingen met het zichtbare en niet zichtbare, met het tastbare en niet tastbare wereld. Ook deze keer niet. Ik weet dat vergelijken niet interessant is, alles behalve, maar de realiteit is er gewoon. De laatste kilometers vóór Santiago zijn net als een pretpark geworden, sorry maar ik kan het niet anders uitdrukken wanneer je gewaar wordt en ziet dat ‘business’ belangrijker is geworden. Wat toen ook al was, maar nu meer zichtbaar. De natuurlijke wegen werden verhard (en af en toe is zelfs plastiek zichtbaar in die verhardingen, oeps), breder gemaakt zoals je van de ene attractie naar de andere wandelt. Houten balustrades staan hier en daar in een bocht. Souvenir winkels midden de natuur. Restaurants en Albergues zijn als paddestoelen gegroeid.
In de kathedraal legt de priester uit voor wat de botafumario vroeger diende, nl. het reinigen van de kathedraal wanneer vroeger de pelgrims erin sliepen. Nu, slapen ze er buiten en kom je er zelfs niet in zonder langs de security te komen. En de botafumario, die kan je in actie zien wanneer een groep, een pak centen hebben neergelegd. En vandaag, zoals de priester vertelde, is de botafumario het contact geworden tussen hemel en aarde. Voilà, zo gemakkelijk is het om iets te veranderen. Tijdens het Xacobea jaar kan je als pelgrim binnen via ‘puerta del pardon’, zo zijn al je zonden in een keer vergeven. Of hoe men de bevolking jaren heeft aangeleerd dat men het buiten zichzelf moet zoeken. Terwijl ‘le pardon’, vergiffenis iets is die van binnenuit dient te bewegen, alles trouwens. Daar begint alles, in onsZelf. Gelukkig kan ik daar vandaag door-kijken en naar de essentie gaan.
De laatste dagen komt de Triskele vaak terug op mijn weg. Een Keltisch symbool die veel voorkomt in Galicië en Bretagne en waarschijnlijk nog op vele andere plaatsen zichtbaar is. Deze morgen terwijl ik mijn koffie neem in de bar, zoek ik even op wat ze betekent. Wanneer ik opkijk, hihi, begin ik te lachen. De ganse bar is bekleed met dit symbool.
Triskele:
Annwn – het onderwereldgebied, het verst weg van God, de duisternis – kosmisch symbool: de maan Abred – het niveau van beproeving en het stoffelijke bestaan – kosmisch symbool: de aarde Gwynyyd – de geheel ontplooide geest, de toestand van liefde, in harmonie met God – kosmisch symbool: de zon
Ook het symbool van Asturia kwam terug. Een kruis met Alfa en Omega. Deze waren te zien in de kathedraal.
Ik wandel nu reeds drie dagen verwijderd van Santiago. En ja hoor…. mijn lijf verliest zijn pijnen. Het wandelen verloopt vloeiend en zelfs mijn rugzak voelt vederlicht. De natuur in Galicia doet me goed en Galicia op zich voelt ook goed aan, ik zou het een ‘thuisgevoel’ kunnen noemen.
Vorige nacht had ik gedroomd. Ik weet dat ik toen een paar keer had geroepen in mijn droom ‘Mira, mira !’ Ik was er van wakker geworden en ik herinner me nog dat ik in mezelf zei ‘dit mag ik niet vergeten’. Deze morgen vroeg ik aan twee dames of ik naast hen mocht plaats nemen. De ene vrouw zei:”weet u dat u praat in je dromen?” “Hmm, ja, maar ik ben er me niet altijd bewust van. Behalve deze nacht weet ik dat ik ‘mira, mira’ riep.” “Heeft u begrepen wat ik vertelde?”, vraag ik de vrouw. Het antwoord was neen. Maar de vrouw gaf me het antwoord, zonder ik ernaar vroeg, “weet je wat mira betekent?”, vraagt ze me. “Euh, neen. Ik dacht een naam.” “Het betekent ‘Zien’ in het Italiaans zegt de vrouw.
Ik ben daarnet gaan opzoeken naar de betekenis op het net ‘Mira’, betekent oceaan, zien.
Met de zon in de rug verlaat ik Compostela. Vier bejaarde vrouwen staan voor het hekken van het pelgrims bureau. “alle, encore une photo ensemble”. Ik hoor een andere dame zeggen, “il faut y aller la”.
Ik wandel verder en ga even nog een boodschap doen. Voor de eerste keer stap ik in de morgen in t-shirt en wat doet dit deugd. Bij het stappen breng ik mijn focus naar mijn ademhaling, onderrug en benen. Mijn bekken is namelijk vast komen te zitten na de storm. En mijn rug en bovenbenen kunnen me ’s nachts soms wel parten spelen. Niet altijd évident wanneer ze soms op een kuip-matras proberen te ontspannen.
Mijn tocht is gestart vanuit Almeria, niet omwille van deze stad, wel omwille dat er water was en zon. Gans mijn Zijn vroeg om water en warmte. Mijn intentie was er echter om er te verblijven en uitrusten. Het was duidelijk dat er iets anders voor me klaar lag. Een start van een nieuwe weg. Toen ik na het boeken van een ticket, zag dat er van daaruit een pelgrimstocht was, werd het al snel duidelijk en kwam intuïtief een weg te voorschijn. Van water naar water, de Mare à Mare, de Mer à Mer.
In het Frans klinkt het als ‘Moeder’ (anders geschreven). Ik schrok (met fonkeling in mijn ogen en een sprongetje in het hart) wanneer ik zonet ben gaan opzoeken wat ‘Mare’ betekent nl. ‘Maria’. (Op mijn Compostelat staat geschreven in het Latijn ‘Mariam’, de twee andere namen bij het zien waren ‘als’ verdwenen in het niets. Maria een naam die ik eer wens aan te doen. En heel bevreemdend de naam die weggelaten is bij aangifte bij mijn geboorte, terwijl mijn doopmeter Marie-José noemt en niet José alleen. Het middelste deel was verwijderd. Enkel Jasmine José bestaat voor de staat. Dit voelde voor mij nooit evenwichtig. Sedert 2 jaar geleden ben ik deze volledig naam beginnen dragen. Hoe kan er immers evenwicht zijn, wanneer men iets ontneemt, niet mag bestaan of leven. Zo werd ook mijn oorspronkelijke naam ‘Yasmin’ getransformeerd in Jasmine omdat deze in oorsprong veel gebruikt wordt in Arabische landen en afkomstig uit Perzië. Terwijl deze cultuur me zo sterk aanspreekt. En eigenlijk vind ik het best grappig. Want wat men niet wou, of niet mocht bestaan, ben ik toch gaan doen en erin gaan staan). En nu zie ik pas dat mijn naam bestaat uit ‘3’ woorden. Wanneer ik het dan veel breder bekijk is dit precies een beweging in het groter geheel. Ik dacht eerst het wegebben van het patriarch, ik zou het eerder zien als een evenwicht brengen in het patriarch.
Ik ben dus deze morgen terug vertrokken op weg naar Muxia (een dorp op een eindpunt aan de kust) . Naar het ‘water’. En wat bijzonder toen ik hoorde van Vanguir (een Braziliaanse man, geboeid door het Hebreeuws en Jodendom) toen hij deelde dat Muxia in het Hebreeuws ‘Messias’, de gezalfde betekend.
In de namiddag ontmoet ik de vier dames. Als een vanzelfsprekendheid wandelde ik met hen. Michelle, Yvonne, Marize en Elise. Twee met een leeftijd verschil van 20 en de andere twee van 30. Waw, ik hoop dat ik net als hen binnen zoveel jaren op ‘weg’ mag zijn.
Wandelend tussen bergen, bossen, valleien en rivieren. Onder de zon, in de regen, met de wind op mijn gezicht en de sneeuw onder mijn voeten.
Zo gingen de dagen voorbij op de Primitivo — het pad dat me voert van Oviedo naar Melide. Vanaf Melide kwam ik op de Francés. De Primitivo slingert door Asturië en Galicië, twee regio’s die met hun groene heuvels en zachte landschappen het meest tot me spreken.
De afgelopen dagen schreef ik niet. Niet omdat ik niets te vertellen had — juist het tegenovergestelde. Maar ik voelde de behoefte om stil te zijn, om dicht bij mezelf te blijven, om mijn gedachten niet te veel in woorden te vangen. De weg was fysiek veeleisend.
Hier en daar kruiste ik dezelfde pelgrims, maar meestal liep ik alleen — en dat is nog steeds hoe ik er het meest van geniet.
De dag dat ik wandelde van Samblismo naar Berducedo, blijft in mijn geheugen gegrift. Pelgrims voor en na ons geloofden het nauwelijks — voor hen was er alleen regen. Maar wij stapten een wereld binnen waar regen veranderde in sneeuw. En hoewel ik wist dat regen in de vallei vaak stormen op hoogte betekent, negeerde ik het en begon de klim.
Onverantwoord, zou ik later beseffen.
Samen met Thea begon ik aan de klim. Wat op een heldere dag een weids, open landschap zou zijn geweest, werd nu een afgesloten, grijze wereld. Boven op de berg verraste ons een sneeuwstorm. De lucht sloot zich, tijd en ruimte vervaagden. Sneeuw veranderde door de snijdende wind in scherpe ijskristallen die mijn linkerwang geselden. Het wit van de sneeuw bestond niet meer — alleen eindeloos grijs. En elke zeldzame lichtstraal die doorbrak, verblindde me.
Op sommige plekken zakte ik tot mijn knieën weg. Onder de sneeuw lagen verborgen waterplassen, ijskoud. Al snel gleed ik uit en viel. Vanaf dat moment voelde ik iets kantelen. Mijn lichaam werd een machine, elk spiertje aangespannen om stap voor stap vooruit te komen, met als één doel: overleven. Overleven werd niet zomaar een woord — het werd een staat van zijn.
Ik dacht aan de Tibetanen die de Himalaya oversteken, verbannen uit hun land. Elke stap was een keuze. Door het water lopen was veiliger dan van het pad afwijken en mijn been breken. De paarden stonden in een dichte kudde, hun achterwerk naar de wind, verscholen achter een boom. Maar stilstaan was voor ons geen optie — stoppen betekende afkoelen.
Mijn broek werd doorweekt. Het gevoel in mijn bovenbenen en bekken verdween. Mijn benen bleven lopen, puur op wilskracht. Mijn voeten, in sandalen en wollen sokken, hielden stand. Elke keer dat ik door het water stapte, voelde ik ze leven, en dat hield me verbonden met de aarde.
Onder mijn handschoenen werden mijn vingertoppen ijzig. “Thea, denk aan je vingertoppen, beweeg ze regelmatig!” riep ik. Ze maakte zich zorgen om mijn voeten, maar die bleven warm, tenminste ik voelde ze nog.
Soms zakte mijn kracht weg, vooral wanneer het pad obstakels wierp. Telkens moest ik stoppen, mezelf toespreken: “Jasmine, herpak je. Kom op. Vooruit.” Diep vanbinnen wist ik: als ik stop, dan stopt het echt. En telkens vond ik die rauwe, onverklaarbare kracht om verder te gaan.
Het was geen angst om te sterven die me voortdreef, maar een wil om stand te houden tegenover de natuur. Daar, in dat ogenblik, bestond niets anders meer. Alleen de natuur en ik — ik en de natuur. Het was niet de sneeuw of het water die het gevaarlijk maakten, maar de meedogenloze wind die me bijna omver blies, zachte sneeuw veranderde in stekende naalden en mijn broek ijskoud maakte.
Af en toe leek het alsof mijn lichaam zich binnenstebuiten keerde, met braakneigingen tot gevolg.
We hadden geen bereik, konden niemand bereiken. We wisten dat er een groepje voor ons was en één achter ons… maar waar precies?
Ik had geen krachten meer en begon te bidden. Ik vroeg om hulp. Kort erna, na 14 kilometer brak de mist even open. Een fractie van een seconde toonde een klein gebouw zich, als een lichtpunt om meteen weer te verdwijnen. Dat werd ons doel. Mijn ogen verdwenen niet meer van dit ene punt, die ondertussen terug was verdwenen. Ik gebaarde naar Thea: daarheen. Daarheen! Mijn gebeden werden aanhoord.
Binnen verdween de wind, en we konden eindelijk uitblazen. Ik trok mijn natte kleren uit, wringde het water uit mijn sokken. Een bol ijs kleefde eraan. Mijn lichaam begon te trillen, een reactie die me uitputte. Iets in me kwam omhoog.
“Thea, het kan zijn dat er straks een ontlading komt. Niet schrikken,” waarschuwde ik.
Ze sprong op en neer om warm te blijven. Ik haalde mijn nooddekens tevoorschijn, gaf er een aan haar en wikkelde mezelf in het andere. Gelukkig had ik ze bij me.
En toen kwam het: een oerkreet, diep vanuit mijn binnenste. Tranen stroomden.
Op de roestige metalen deur kleefde een sticker met een taxinummer. “Thea, ik bel een taxi. We kunnen zo niet verder.”
Even later zagen we de jongeren van de andere groep. We riepen hen binnen. Iedereen trilde van de kou. De sporen van de natuur stonden op onze gezichten gegrift.
Een uur later zaten we veilig en warm in een albergue. Maar vanbinnen voelde ik iets gebroken. En ook al hebben we er samen vaak over gesproken, terwijl ik dit nu schrijf, voel ik mijn lichaam opnieuw verkrampen en vullen mijn ogen zich met tranen.
Sinds die dag zit mijn lichaam vast, met hevige pijn in mijn onderrug, vooral ’s nachts.
Ik ben blij dat ik er nu over kan schrijven. Ik besef dat dit het begin is van een verandering in mijn lichaam, een proces van heling.
Op 1 mei 2022 kwam ik aan in Santiago. De dag van mijn aankomst hing er mist, en zo voelde ik me ook de laatste dagen… verloren in de mist.
Dank je, Thea. Obrigado Ricardo, Tiago, Vantuir. Obrigada Jennifer.
Marchant entre montagnes, forêts, vallées et rivières. Sous le soleil, sous la pluie, avec le vent sur mon visage et la neige sous mes pieds.
Ainsi les jours passaient sur le Primitivo — le chemin qui me mène d’Oviedo à Melide. À partir de Melide, j’ai rejoint le Francés. Le Primitivo serpente à travers les Asturies et la Galice, deux régions dont les collines verdoyantes et les paysages doux me parlent le plus.
Ces derniers jours, je n’ai pas écrit. Pas parce que je n’avais rien à raconter — bien au contraire. Mais je ressentais le besoin de rester silencieux, de rester proche de moi-même, de ne pas trop capturer mes pensées avec des mots. Le chemin était physiquement exigeant.
Ici et là, j’ai croisé les mêmes pèlerins, mais la plupart du temps, je marchais seul — et c’est toujours ainsi que j’en profite le plus.
Le jour où j’ai marché de Samblismo à Berducedo reste gravé dans ma mémoire. Les pèlerins avant et après nous n’y ont presque pas cru — pour eux, il n’y avait que la pluie. Mais nous sommes entrés dans un monde où la pluie s’est changée en neige. Et bien que je sache que la pluie dans la vallée signifie souvent des tempêtes en altitude, je l’ai ignoré et j’ai commencé l’ascension.
Irresponsable, réaliserai-je plus tard.
Avec Thea, j’ai entamé la montée. Ce qui aurait été, par temps clair, un vaste paysage ouvert, est devenu un monde clos et gris. Au sommet de la montagne, une tempête de neige nous a surpris. Le ciel s’est refermé, le temps et l’espace se sont estompés. La neige, transformée par le vent tranchant, est devenue des cristaux de glace aiguisés fouettant ma joue gauche. Le blanc de la neige n’existait plus — seulement un gris infini. Et chaque rare rayon de lumière perçant ce voile m’aveuglait.
Par endroits, je m’enfonçais jusqu’aux genoux. Sous la neige, des flaques d’eau glacée, cachées. Rapidement, j’ai glissé et suis tombée. À partir de ce moment, j’ai senti quelque chose basculer. Mon corps est devenu une machine, chaque muscle tendu pour avancer pas à pas, avec un seul objectif : survivre. Survivre n’était plus juste un mot — c’était un état d’être.
Je pensais aux Tibétains traversant l’Himalaya, exilés de leur terre. Chaque pas était un choix. Marcher dans l’eau était plus sûr que quitter le chemin et risquer de me casser une jambe. Les chevaux restaient groupés, leurs croupes tournées vers le vent, abrités derrière un arbre. Mais s’arrêter n’était pas une option pour nous — s’arrêter, c’était se refroidir.
Mon pantalon s’est imbibé. La sensation dans mes cuisses et mon bassin a disparu. Mes jambes continuaient de marcher, uniquement par volonté. Mes pieds, dans des sandales et des chaussettes en laine, tenaient bon. Chaque fois que je marchais dans l’eau, je les sentais vivre, et cela me gardait connectée à la terre.
Sous mes gants, mes doigts devenaient glacés. « Thea, pense à tes doigts, bouge-les régulièrement ! » ai-je crié. Elle s’inquiétait pour mes pieds, mais eux restaient chauds, enfin, je les sentais encore.
Par moments, mes forces faiblissaient, surtout lorsque le chemin devenait obstacle. À chaque fois, je devais m’arrêter, me parler à moi-même : « Jasmine, reprends-toi. Allez. En avant. » Au fond de moi, je savais : si je m’arrêtais, tout s’arrêtait vraiment. Et chaque fois, je trouvais cette force brute, inexplicable, pour continuer.
Ce n’était pas la peur de mourir qui me poussait en avant, mais une volonté de tenir tête à la nature. Là, dans cet instant, rien d’autre n’existait. Seulement la nature et moi — moi et la nature. Ce n’était pas la neige ou l’eau qui étaient dangereuses, mais le vent impitoyable qui menaçait de me renverser, transformant la neige douce en aiguilles piquantes et rendant mon pantalon glacé.
Parfois, j’avais l’impression que mon corps se retournait, provoquant des nausées.
Nous n’avions pas de réseau, nous ne pouvions joindre personne. Nous savions qu’un groupe était devant nous et un autre derrière… mais où exactement ?
À bout de forces, j’ai commencé à prier. J’ai demandé de l’aide. Peu après, après 14 kilomètres, le brouillard s’est ouvert un instant. Une fraction de seconde, un petit bâtiment est apparu comme un point lumineux avant de disparaître. Ce serait notre objectif. J’ai fait signe à Thea : par là. Par là ! Mes yeux ne quittaient plus ce point où il y avais le bâtiment, bien qu’il ait déjà disparu et que tout était gris uni. Mes prières avaient été exaucées.
À l’intérieur, le vent a cessé, et nous avons enfin pu reprendre notre souffle. J’ai retiré mes vêtements mouillés et tordu l’eau de mes chaussettes. Un bloc de glace y était collé. Mon corps a commencé à trembler, une réaction qui m’épuisait. Quelque chose montait en moi.
« Thea, il se peut qu’une décharge émotionnelle arrive bientôt. Ne t’inquiète pas », l’ai-je prévenue.
Elle sautait sur place pour rester au chaud. J’ai sorti mes couvertures de survie, en lui donnant une et en m’enveloppant dans l’autre. Heureusement, je les avais prises avec moi.
Et puis, c’est arrivé : un cri, profond, venant de l’intérieur. Des larmes ont suivi.
Sur la porte en métal rouillé, une étiquette avec un numéro de taxi. « Thea, j’appelle un taxi. Nous ne pouvons pas continuer comme ça. »
Peu après, nous avons vu les jeunes de l’autre groupe. Nous les avons appelés à entrer. Tout le monde tremblait de froid. Les traces de la nature étaient gravées sur nos visages.
Une heure plus tard, nous étions en sécurité et au chaud dans une auberge. Mais à l’intérieur de moi, quelque chose était brisé.
Et même si nous en avons souvent parlé ensemble, alors que j’écris ceci maintenant, je sens mon corps se crisper à nouveau et mes yeux se remplir de larmes.
Depuis ce jour, mon corps est resté bloqué, avec une douleur intense dans le bas du dos, surtout la nuit.
Je suis heureuse de pouvoir maintenant écrire à ce sujet. Je réalise que c’est le début d’un changement dans mon corps, un processus de guérison.
Le 1er mai 2022, je suis arrivée à Saint-Jacques-de-Compostelle. Le jour de mon arrivée, le brouillard flottait, tout comme je me suis sentie ces derniers jours… perdue dans la brume.
Paasmaandag. Ik verlaat Mières del Camin voor de laatste dag op de Camino San Salvador richting Oviedo. In het eerste dorpje op de rechterkant zie ik glasramen…een eerste… een voetwassing, een tweede ik herken de afbeeldingen van Maria Magdalena. Een Maria Magdalena kerk. Ik bel aan huisnr. 3. Een dame opent haar venster op het 1ste verdiep. Ik vraag haar of de dame weet wie de sleutel van de kerk heeft. Ze verwijst me door naar een vrouwtje wat verderop die al op de uitkijk staat. In haar blauwgeruit schortje probeert ze me duidelijk te maken dat ze de sleutel niet heeft. Op haar muur staat huisnr. 43 (7). Ze verwijst me naar een ander huis, bij “Veronica”, ik ga aanbellen boven haar bel zie ik huisnr 21 (3). Drie vrouwen maar helaas geen sleutel.
Hmm, bijzonder 3 vrouwen en mezelf. Maria Magdalena en nr 3 en 7. Ik denk aan volgend jaar. 2023. 3 vrouwen en mezelf richting Jeruzalem op de voetsporen van Maria Magdalena.
Langzaam gaat de weg omhoog. Beneden in het dal zijn fabrieksgebouwen te zien. Een man loopt voor me met zijn wandelstok in de hand en zijn paraplu hangt vast in zijn kraag. Wat verder staat hij te praten met een andere man. Aan zijn voeten ligt een Border collie. Hij probeert me duidelijk te maken dat ik niet met mijn sandalen kan afdalen dat ik bottines nodig heb. De weg zou glad zijn en modderig. Ik kijk hem aan en vertel hem dat ze reeds van Almeria komen. We hebben nog wat plezier rond de sandalen. De mannen maken een onderonsje en één van hen vergezeld me. Ik geniet ervan om hun bezig te zien. En de weg… zes meter mos en vocht in het midden op de baan. Rechts lag het droger. Totaal geen gevaar. Ik had plezier in het zien dat de man plezier had om me te begeleiden en me dan de weg te tonen. Zalig!
Langs de weg staan appelbloesems, vlier en reuze grote meidoorn en heerlijk geurende eucalyptusbomen. Osteospernum, anthémis, brandnetel, speenkruid, varens, paardebloem, Irissen geven kleur aan de borders. In de weiden zijn verschillende soorten bellen hoorbaar, ieder dier heeft zijn eigen toon… De koe, het paard, de geit en de ezels. De buizerd vliegt in het rond en een slang sluipt traagjes over het pad.
Hier en daar is een blauw kruis te zien met het Alfa en Omega. Het embleem van Asturia. Ook de Tryskele mocht ik al meerder malen tegenkomen.
Bij het binnenkomen in Oviedo zie ik op de grond een kenteken in de steen. Een kruis en langs iedere zijde een Engel. Hmm, dit trekt mijn aandacht en benieuwd wat het is en vanwaar het komt. Voor ik naar de kathedraal ga, zet ik mijn rugzak af in de albergue. De hospitalier wijst me de kamer ‘3’.
Wanneer ik de kathedraal binnen stap. Herken ik het teken op een flyer of is het een embleem die ik zag, bij het binnen stappen van Oviedo. Ik volg de digitale gids die ik meekreeg van de vriendelijke dame aan de balie. Nummer 3 op toestel brengt me mee naar een toren ‘la chambre Sainte’, die twee kapellen heeft die niet met elkander in verbinding zijn. De eerste is de Heilige crypte en de bovendste de crypte genaamd ‘Saint Miguel’, genaamd naar de toren ‘Saint Miguel’ waaraan het verbonden is. Bij het binnenstappen van deze toren zie ik het embleem boven de deur en in de deur. In de crypte een zelfde juweelstuk. Het embleem. Het wordt genoemd ‘Kruis van de Engelen’ een Grieks kruis (een kruisvorm die ik nu reeds 3 jaar rond mijn pols heb en niet wist welk soort) geschonken door de koning van Asturies aan de kathedraal in 808 (7) en is het symbool geworden van de kathedraal en de stad Oviedo.
Amai, wat was dit een mooie afsluiter van het Paasgebeuren op deze Camino San Salvador in Oviedo. Een dagje vol symboliek, ik kreeg vandaag werkelijk alle thema’s van de voorbije jaren, alles in 1 dag. Ik heb er van genoten van deze prachtige natuur tussen León en Oviedo. Morgen vertrek ik richting Compostella op de Camino Primitivo.
Tijd om Leon te verlaten. De pelgrims in de herberg deden me al snel inzien dat ik niet op de Camino Francés zal stappen. Het overmatig drankgebruik, het zien stelen, ” s nachts feest vieren in de kamers. Het niet respecteren van de hospitalier en de nacht klok (hospitaliers zijn er om ons te verwelkomen, er te zijn voor de pelgrims, te helpen waar nodig, iedere morgen je bed te controleren, en de ruimte te kuisen… De hospitalier in Léon zag ik op haar knieeen de douchecel reinigen…). Een ‘ Juliette’ (pelgrim) stond deze nacht buiten op straat te roepen onder mijn raam naar haar ‘Romeo’ – de rollen hadden zich omgedraaid- “but, I love him’, wat later zie ik beiden de kamer binnenkomen. De hoorbare gesprekken.. ‘ik ga niet naar Italië of België… het is er veel te duur, hier hebben we tenminste goedkope overnachtingen en maaltijden…’.
Na de drukte van de processies, voel ik de nood om alleen, in een rustige omgeving, diep verbonden aanwezig te zijn om Witte donderdag en de volgende paasdagen te beleven.
Vanaf Léon stap ik op de San Salvador. De eerste 10 km gaan over asfalt nadien stap ik de natuur in. Hier en daar heeft iemand er tafereeltjes geplaatst van de geboorte van Jezus. Hmm, hoewel het Pasen is vind ik het zo passend. Geboorte, her-geboorte, de lente.. De natuur…. oef. Zo deugddoend. In La Robla zijn alle pensions volzet. Een vrouw bied me een kamer in haar ouderlijk huis/appartement. In dankbaarheid.
De dagen erop ga ik de hoogte in tot een 1500 meter. Mijn voeten krijgen een afwisselende zachte ondergrond. Mijn rug is mijn nieuwe lichtgewicht rugzak dankbaar, een comfort die ik niet meer zou willen missen, ik zeg dan ook ‘adieu’ aan het 5 punt systeem – van de vele rugzakken op de markt- die mijn lijf niet meer ten goede komt. Mijn lijf voelt zich werkelijk groeien naar een nieuwe lente.
Een jaar geleden is reeds voorbij, wat ik toen heb mogen beleven in de Basiliek Maria Magdalena van Vézelay, de nacht van Stille Zaterdag naar Pasen heeft me nooit verlaten en wat verheugd het me om het te mogen vieren op de San Salvador.
Toen ik vorig jaar op Pasen midden een groep uitflopte en zo juist aanvoelde – wel wat raar klonk in mijn oren–“Ik ga trouwen met Jezus”, de beweging van deze woorden op mijn lippen te laten vibreren en uit te spreken, was en is o zo juist. Deze woorden dragen voor mij het Licht wat ik vorig jaar met Pasen heb mogen ontvangen…en hebben ermij toe geholpen om het nog krachtiger in het leven te zetten en het tastbaar te maken. Het heeft ervoor gezorgd dat het zaadje die in mij al altijd aanwezig was, het verder en dieper te laten wortelen en toe te laten, om het te laten stromen door gans mijn lichaam. Ik zou het kunnen verwoorden onder, incarneren ‘I am’.
Wat is het genieten om hier te Zijn in rust en stilte en dat dit nog eens extra wordt gedragen door de rust en stilte die rond mij, te zien en te horen is.
Ik had Pasen niet beter kunnen wensen/vieren dan hier.
“Quien va a Santiago y no va al Salvador, honra al criado y deja al Señor”
Montamarta… een rustig dorpje op een kwartiertje rijden met de bus of een dagje stappen van Zamora. Ook een ideale plaats om er nog wat rustdagen in te lassen en zorg te dragen voor mijn voeten, helaas zijn ze nog niet optimaal. Mijn lichaam is blijkbaar nog in wintermodus, zo voelt het.
Niet enkel spelen mijn voeten me parten, ook een pakketje die van Amerika afkomt, een nieuwe lichtgewicht rugzak om mijn voeten en onderrug te sparen… en dat is een ander paar mouwen. Vanaf Montamarta wandel ik een paar dagen met Hannelore, waar we samen in Benavente de bus nemen richting Léon. (verplichte, te lange afstanden door niet geopende pelgrimsherbergen en niet aanwezige hostals – aan de deur aankloppen is niet aan de orde in Spanje)
De verzending in Amerika en naar Europa verliep vlot… tot het in Europa aankwam en de douane in Spanje papieren opeiste die ik als Europeaan niet verplicht ben om bij te hebben. De dienst zelf van UPS is werkelijk een ‘fiasco’ en niet aangeraden om deze te gebruiken. Gelukkig en na volharding, geduld en mits de nodige puntjes op de i kon ik eindelijk na 14 dagen het pakket ontvangen in Léon waar ik vijf dagen verbleef in afwachting.
Zoals iemand deelde op FB ‘Jasmine Marie José Debels het leven van een levensgenieter gaat niet altijd over rozen 😏’ er bestaan geen. Echter er zijn geen rozen zonder doornen… Een klassieker. Het is net het leren hanteren van de doornen dat het leven ook boeiend en mooi maakt. Niet altijd évident, wel de moeite waard.
Het wachten gaf me de mogelijkheid om de stad León beter te voelen, in 2014 ben ik er toen dwars doorheen gewandeld en vond ik het blijkbaar toen niet aangenaam. Gelukkig zijn niet alle dagen gelijk… wel allen evenwaardig. De tijd in Léon liet ik me onderdompelen in de sfeer van Semena Santa een lang bestaande traditie in Spanje. Iedere avond was er een processie waar verschillende broederschappen (behoren tot een kerkgemeenschap) een beeld van het lijdensverhaal van Jezus in de processie navertelden. Ik stond versteld hoeveel vrouwen er hieraan deelnamen, sommigen broederschappen – van drager tot muzikanten – waren enkel vrouwen. Dit was fijn om zien. In Léon noemt met de mensen die een puntmuts dragen ‘Papones’ of op andere plaatsen ‘nazarenos’ of boetedoeners. De puntmutsen stammen uit de tijd van de Spaanse Inquisitie waar de veroordeelden niet zichtbaar mochten zijn.
Bij de eerste twee processie kon ik niet zeggen dat het mij niet raakte, integendeel, zien hoeveel mensen hieraan deelnamen. Gelovigen en niet gelovigen. Het moment die me het meeste raakte was toen ik met de camera laag over de grond was om de voeten in beeld te brengen. Ik kwam in een soort bubbel terecht, weg van de menigte rond mij, opgeslorpt door het kadans en slepende bewegingen van de blote voeten over de grond.
Op een bepaald moment rook ik de Cistus doorheen de straat. Ahhh… ik werd me bewust vanwaar ik die geur kende… een mengsel die vaak aanwezig is in wierook. Het bracht me ook terug bij de herinnering naar de Jemeniet op de place Jemaa El Fna in Marrakech waar ik vaak dit mengsel kocht. Heel bijzonder wat die geur met me doet en vooral hoe mijn lichaam hier op reageert.
Een Vreugdevolle Pasen aan iedereen. Dat Licht en Liefde, in jullie elk aanwezig zichtbaar mag worden.✨🙏💖
PS. Ondertussen is de rugzak aangekomen. En het wachten werd beloond. Dankjewel aan Veerle M. voor haar hulp en vertrouwen in mij. 🙏
Hieronder deel ik graag een paar kortfilmpjes van dd etappes tussen Montamarta en Benavente. Alsook een filmpje met een montage (foto/video) van 4 dagen processie in Léon