Ijzerkotmolen

 

img_20180402_2334324633764917636080375.jpg

Munte

Na vier dagen kamperen in eigen huis, een overnachting in een voor mij gekend bed bij vrienden.

Het is fris buiten, mijn muts en handschoenen zijn niet overbodig. Via gekende dorpen zet ik mijn tweede dag in. Het gevoel van volledig weg zijn, is er nog niet ten volle.

Langs de wegen staan vol ontluikende bomen. Lente is op komst. De eerste lente bloeiers zijn aanwezig. Forsythia en krokussen kleuren de bermen geel.

Af en toe wandelen ik langs een frisse zoete geur. De Skimmia. Ik blijf voor de plant staan en laat me bedwelmen door zijn overheerlijke geur.

Van landskouter naar Munte. Op een grote baan, mij niet onbekend, kies ik om rechts af te slaan en een goeie dag te gaan zeggen aan de kleine Lena en haar mama en papa. Een deugddoende pauze.

Altijd wel fijn om je laten te verrassen door de weg, een voordeel van niets vast te zetten en te genieten van wat op je afkomt. Zo kom ik aan in Dikkelvenne en bel ik op het onverwachts aan bij Marleen. De tijd van een koffie, een babbel en hup…

De GR 122 neemt me mee via landelijke wegen richting de Vlaamse ardennen. Naar de avond toe stop ik in een ijzerkotmolen om iets te eten. De tijd is hier stil blijven staan. Een openhaard verwarmt de ruimte en is meer dan welkom. Als ik mijn maaltijd wens te betalen krijg ik te horen ‘met plezier geschonken door het huis, neem ons mee in gebed naar Compostella’. Dit is altijd even wennen wanneer een maaltijd zomaar wordt aangeboden, en toch o zo dankbaar en kan ik het met open armen ontvangen.

Na een half uur stap ik nog verder langs de Zwalm. De avond is in aantocht, tijd om een overnachting te zoeken. Na drie maal aankloppen wordt ik met open armen ontvangen bij Els, Piet en Amber. Rocky een herdershond laat me zonder enig probleem toe in het huis en ontwijkt niet van mijn zijde. Een grote levende knuffel. In de zetel val ik diep inslaap op weg naar…dromenland.

 

img_20180403_0452093274727127599005053.jpg

Zwalm

Pelgrimszegen

img_20180403_0504148995738626880282414.jpg

Jeannette

1 april 2018.

Een bezoek aan mijn bovenbuur vrouw Jeannette. Een bijna 90 jarige (14 april) en in superform voor haar leeftijd. Het daglicht schijnt op haar rechterkant. Haar ogen glinsteren, ‘oh, ik gau nu min cremekarre nie mej hoaren’ (ze bedoelt het geluid van haar deurbel). We krijgen beiden de slappelach. ‘Wa go ik joan missen’… Het raakt me en voor de eerste keer laat ik dit woord toe. Ik vond dit altijd vervelend wanneer me iemand dit me zei, ik duwde dit af. Afhankelijkheid, afscheid… koppelde ik hieraan. Het komt binnen en voor de eerste keer voelt het goed en juist in mijn beleving en kan ik het toelaten. Iemand betekenen voor iemand en vice versa…

Bij een andere buurvrouw Francine. Hebben we een fijn en boeiend gesprek rond geloof en wat het voor elk van ons betekent. Een half uur later zet ik mijn voeten op de Gentse kasseien en de naam van het appartement ‘Esperanza’ verdwijnt om de hoek.

De klokken van de Sint-Baafskathedraal beginnen te luiden voor de paasviering. Vrienden zijn aanwezig. Hartverwarmend. Ook mijn ‘zus’ is er (dochter van mijn moeder haar tweede man), deze winter mama geworden van de kleine Lena. Op het einde van de viering vraagt bisschop Luc Van Looy me naar voor in de overvolle kathedraal voor de pelgrimszegen. ‘Er is hier een hij of is het een zij die naar Compostella vertrekt’… Ik vond dit gepast hij of zij… Noch het een noch het ander, ze voelt het voor mij. Met een rustige en stevige stap komt Mgr Van Looy voor me staan. Mijn ademhaling wordt dieper. Een diep verbonden contact… Zijn handen rusten elk op een schouder. We kijken elkaar aan… Ik sluit mijn ogen… Ik voel een hand op mijn hoofd. Het voelt stevig, beschermend… De zegen… We delen nog wat woorden… In schoonheid en verbonden geraakt…

Na de viering neem ik afscheid van mensen die me genegen zijn. Innige knuffels worden gedeeld. Een kruisje op mijn voorhoofd, een kaartje, een klein geschenk… Een foto. We verlaten samen de kathedraal via de middenbeuk. Nog even een goede dag aan monseigneur. Een stevige hand… ‘Je eindigt je weg terug langs hier’ vraagt de bisschop. ‘Absoluut’, antwoord ik terug.

Een zwaai langs hier, langs daar. Mensen komen me een goede weg wensen. Mensen die geraakt zijn door mijn vertrek. Dankjewel aan jullie die aanwezig waren. Het voelde zo goed. Nogmaals een dikke knuf.

Samen met vier stappers Lut, Koen, Els en Franky zet ik mijn eerste stappen richting Assisi. Een bijzondere ervaring om samen met anderen te stappen. Ideeën, vraag en antwoord worden gewisseld. Via de Schelde verlaten we Gent richting Melle. Aan het station in Gontrode nemen we afscheid. Een groepsfoto en ik zet mijn weg verder door het bos op weg naar vrienden voor mijn eerste overnachting.

img_20180401_2230004013564038682935226.jpg

Kunstenaar en bijenhouder Jef Wynants

Een shock – Choc

sdr

La carte topographique en main, Philippe me montre le chemin à suivre. Accompagnée de chants d’oiseau je marche en toute modestie allant à la rencontre de la journée et de la Gaume.

Le sol à une texture sablonneuse ce qui tient mes pieds au sec après la pluie d’hier. J’en ai assez de la boue. La couleur du sol et des bâtiments a aussi changé, le gris a fait place au jaune. Un ruisseau débordant. À l’aide de quelques cailloux et de branches j’essaie de rejoindre l’autre cote… jusqu’à ce que je remarque qu’à côte des prédécesseurs ont créé un passage. Le vent se crée un passage à travers la forêt et fait chanter les troncs d’arbres. Un concert joué par la nature. Mon corps se sent lourd et fatigué. À Fratin je cherche une place pour me reposer. Je suis étonnée que la grande place devant l’église soit encore si verdoyante. Une grande pelouse avec de la place ou les enfants peuvent jouer. Pas d’immense place en béton comme il y en a beaucoup. ‘La pêcherie de Fratin’, à peu près à un demi kilomètre du village. Des viviers, du soleil, une chaise, mes jambes s’étendent.

Deux hommes s’approchent. Une longue conversation suit. Sans trop d’efforts les mots surgissent du fin fond de moi-même, en toute liberté sans réfléchir. Comme si les mots jaillissent de nulle part, qu’ils me viennent droit du cœur. Fluide, harmonie. Tout en continuant ma route je sens le bien que cette conversation m’a fait, je me remémore.

Dans le village, l’odeur du linge séchant sur le fil me vient de temps à autre au nez.

Myosotis, campanule, bleuets et sans doute camomille, epimedium… colorent les talus. Les quelques papillons que j’ai rencontré jusqu’alors volent de fleur en fleur. À Châtillon, une fête foraine. Un carrousel, un stand de tir et un stand de pêche. Pas besoin de plus pour voir la joie des enfants et des grands. J’entends les enfants raconter, plein d’envie, par qu’elle attraction ils veulent commencer. Le bonheur est dans les petites choses. Je choisis de continuer ma route vers Meix-le-Tige. À la fin d’une rue un sentier battu qui monte.

Deux paysans. Je leur demande: “C’est bien le chemin pour aller au prochain village?” Un sourire apparait sur leurs visages et ils me confirment que cela est possible à condition de grimper par-dessus des poutres. Je sens de l’hésitation, ma pensée me dit que c’est ok. Je prends le risque.

Premier obstacle. Des vaches traversent le chemin. “Allé… hup…” dis-je. Elles m’entendent et continuent leur chemin. Eh bien, encore une chose que je sais faire, jusqu’à l’instant où j’entends le fermier en bas dire la même chose… pfff, je pensais déjà avoir fait quelque chose de magique. Deuxième obstacle, troisième obstacle, je passe facilement.

Le quatrième, un fil électrique. Au premier coup je reçois un choc. J’avais oublié le courant. Je retourne sur mes pas et cherche une autre possibilité, jusqu’à l’instant où je me rends compte qu’un énorme taureau et toutes ses vaches se dirigent vers moi à tout allure.

Je crie, “A la vache!”. Je fais demi-tour. Je jette le sac à dos par-dessus du fil électrique. Ma tête va d’un côté à l’autre, des vaches au champ vide. ‘Zut, pourquoi n’ai-je pas suivi mon intuition à la place de ma pensée. Le taureau ou un nouveau choc électrique, mon choix est vite fait. Une fois de l’autre côté je sens ce que le choc m’a fait. Mon corps est en déséquilibre, ma jambe gauche et mon pied sont étranges, mon cœur est en overdrive, ma tête… ma boussole intérieure est comme perdue. Un juron. Oh, cela devait-il être si extrême. Maintenant je sais pourquoi les paysans souriaient.

Dans le prochain village je me laisse guider par mon odorat. J’ai faim. Une fenêtre de cuisine, une porte. Je frappe à la porte. Une demi-heure plus tard je mange un délicieux ‘chicon au gratin’ et des pommes allumettes fait maison en compagnie de Flo et Manu.

GPX Bestand Tintigny -Chatillon

Een Shock

De topografische kaart wordt bovengehaald, Philippe wijst me de weg. Met vogelgezang wandel ik ingetogen de dag in, de streek van ‘le Gaume’. De grond heeft een zanderige structuur, dit houdt mijn voeten droog na de regen van gisteren. Ik heb het eventjes gehad met de modder. Ook de kleur van de grond en de gebouwen is veranderd, geel in plaats van grijs. Een overstromend beekje. Met wat stenen en takken probeer ik me naar de andere kant te begeven… tot ik zie dat ernaast een pad ontstaan is door mijn voorgangers. De wind baant zich een weg doorheen de bossen, en doet de boomstammen zingen. Een natuurlijk concert. Mijn lichaam voelt zwaar en moe.

In Fratin zoek ik een plaats om uit te rusten. Ik ben verwonderd over hoe het grote kerkplein hier nog zo groen mag zijn. Een groot grasveld met plaats voor een speelterrein voor kinderen. Geen immens betonnen kerkplein zoals er zo velen zijn. ‘La pêcherie de Fratin’, zo een halve kilometer weg van het dorp. Visvijvers, de zon, een stoel, mijn benen strekken doet deugd. Twee mannen komen aangewandeld. Een lang gesprek volgt. Zonder enige moeite vloeien de woorden vanuit het diepste van mezelf, vrij en zonder nadenken. Alsof de woorden vanuit het niets komen. Dit voelt telkens aan als thuis zijn, vanuit mijn hart. Vloeiend, harmonie. Verder wandelend voel ik hoe goed dit gesprek me heeft gedaan, ik geniet na.

In de dorpjes komt de geur van de was, die aan de lijn hangt te drogen, af en toe onder mijn neus. Vergeet-me-nietjes, Campanula, korenbloem, kamille, Elfenbloem… ze kleuren de bermen. De weinige vlinders die ik al heb ontmoet vliegen van de ene bloem naar de andere. In Châtillon, een kermis. Een draaimolen, een schietkraam en een viskraam. Meer moet dat niet zijn om de vreugde van de kinderen en volwassenen op te wekken. Ik hoor de kinderen vol verlangen vertellen wat ze eerst willen doen. Het geluk ligt in kleine dingen.

Ik kies om verder te wandelen naar Meix-le-Tige. Op het einde van een straat een veldweg naar boven. Twee boeren. “C’est bien le chemin pour aller au prochain village?”, vraag ik hen. Er is een glimlach te zien op hun gezicht en ze bevestigen dat het kan mits wat ‘over balken kruipen…’ Ik voel twijfel, mijn denken zegt dat het ok is. Ik waag het erop. Eerste hindernis. Koeien steken de weg over. “Allé… hup…” roep ik naar de koeien. Ze luisteren en stappen verder. Amai, nog iets dat ik kan, tot ik de boer beneden dezelfde woorden hoor gebruiken… pfff, ik dacht al dat ik iets magisch had gedaan. Tweede en derde obstakel raak ik makkelijk voorbij. Aan een elektrische draad, krijg ik een shock bij de eerste poging. Ik was de stroom vergeten. Ik keer op mijn passen terug, zoekend of er een andere mogelijkheid is, tot ik me bewust word dat er een mastodont van een stier, met al zijn koeien aan een snelheid in mijn richting komt gelopen. “A la vache!”, roep ik. Ik loop terug. Rugzak overgooien. Mijn hoofd gaat van de ene richting naar de andere, van de koeien naar het lege veld. ‘Foert, waarom heb ik mijn gevoel niet gevolgd in plaats van mijn denken’, gaat er door me heen. De stier of nog een elektrische shock, mijn keuze is snel gemaakt. Eenmaal aan de overkant voel ik wat de shock met me heeft gedaan. Mijn lichaam voelt onevenwichtig, mijn linkerbeen en voet doen vreemd, mijn hart is in overdrive, mijn hoofd… Mijn innerlijk kompas is de weg even kwijt. Een vloek. Oh, moest dit nu zo extreem. Nu weet ik waarom de boeren een glimlach hadden. In het volgende dorp laat ik me leiden door mijn neus. Ik heb honger. Een keukenraam, een deur. Ik klop aan. Een half uur later zit ik een heerlijke ‘chicon gratin’ met huisgemaakte pommes allumettes te eten in compagnie van Flo en Manu.

GR 126

 

img_20160628_204459.jpg

 

Un jour de repos en compagnie d’amis. Des conversations intenses et profondes. Respect mutuel. Ceci fait du bien.

De temps à autre je mets mon nez dans mon sasjh fraichement lavé, mon sasjh Marocain et multifonctionnel. Qui me donne chaud quand il fait froid et de la fraicheur lorsqu’il fait chaud. Qui peut servir de sac ou de chapeau. Durable.

Avec les explications de Gérard au sujet des traces d’animaux dans le bois, je pars à la découverte sur la GR126. Sangliers, cerfs, chevreuils, blaireaux.

La digitaline est omniprésente dans le bois. Les vues panoramiques me font penser au Pyrénées. Les descentes de Roncesvalles. Les pierres de O Cebreiro. Les bois de Galicie. Je traverse le bois de Langues Virées.

Pas de traces de chiens ni de chevaux qui réfèrent aux gens.

Des heures à marcher seule, appréciant tout ce qui m’entoure. Seule ou peut-être pas…, car dans le bois une forte présence est tangible. Une buse vole devant moi longeant le sentier, ses ailes élégantes grandes ouvertes. Un cerf saute en grande vitesse pour s’enfoncer plus profondément dans le bois. Au loin j’entends des sangliers. Au-dessus de ma tête une autre buse. Différentes odeurs. Le vent dans les branches. Je mène mon attention vers mon corps. Tout y semble détendu. Solidement ancrée dans le sol.

La douleur dans mon bassin et bas du dos a disparue. Les heures et les kilomètres n’ont plus d’importance.

‘La Houille’, un cour d’eau. Le coquillage de Santiago est régulièrement présent. Le soleil est haut dans le ciel.

Gédinne. Un homme se trouvant dans l’entrée de l’office du tourisme m’adresse la parole. Avant que j’ai pu poser une question toute une explication sur le pourquoi il n’y a pas de logement pout pèlerin. C’est clair! Ici je ne dois même pas poser la question. Je termine au camping ou les jeune me procurent une tente en 1 seconde.  Flipflop et hop. Mon sac à dos dedans. Mon nid est prêt.

GPX bestand Chooz à/naar Vencimont

GPX bestand Vencimont à/naar Bellefontaine

GR 126

Een dagje rust in gezelschap van vrienden. Diepe intense gesprekken. Wederzijds respect. Het was deugddoend.
Af en toe steek ik mijn neus in mijn vers gewassen sasjh,mijn multifunctionele Marokkaanse sjaal. Die geeft me warmte wanneer het koud is, koelte wanneer het warm is, kan dienst doen als tas en als hoofddeksel. Oersterk.
Met de uitleg van Gérard ivm dierensporen in het bos, ga ik op ontdekking op de GR 126. Everzwijn, hert, ree, das. De Digitalis of vingerhoedskruid is massaal aanwezig in het bos. De vergezichten doen me denken aan de Pyreneeën. De afdalingen aan Roncesvalles. De stenen aan O Cebreiro. De bossen aan Galicië. Ik doorkruis het bos van Langues Virées. Geen sporen van honden of paarden die verwijzen naar mensen. Uren alleen wandelend, genietend van alles rondom mij. Alleen en toch niet, want in het bos is een grote aanwezigheid voelbaar. Een buizerd vliegt vóór me over het pad, met zijn elegante vleugels breed open. Een ree springt aan een hoge snelheid dieper het bos in. In de verte hoor ik everzwijnen. Boven mij een andere buizerd. Verschillende geuren. De wind in de takken. Ik breng mijn aandacht naar mijn lichaam. Alles voelt ontspannen. Stevig verankerd in de grond. De pijn in mijn  bekken en onderrug is verdwenen. Uren en kilometers hebben geen belang meer.

‘La Houille’, een waterstroom. Schelp van Santiago is regelmatig te zien. De zon staat hoog aan de hemel. Gédinne. Een man die in de deur van het toeristenbureau staat, spreekt me aan. Nog voor ik een vraag kan stellen, een hele uitleg waarom er geen pelgrimsplaats is. Duidelijk! Hier hoef ik zelfs de vraag niet te stellen. Ik eindig op de camping, waar jongeren me helpen aan een secondetent. Flipflop en hop. Rugzak erin. Nestje gemaakt.

Wallonië

 

img_20160614_225114.jpg

Aujourd’hui commence mon parcours qui reliera les églises Saint-Jacques de Wallonie avec celles des Flandres. Pas de description du chemin. À la rencontre d’une nouvelle aventure. C’était un peu chercher pour savoir comment relier le triangle Aalbeke – Tournai (Doornik) – Renaix (Ronse). Des livres, des cartes topographiques… un puzzle complexe (un exploit). ‘Oh Jasmine! Et un gps’, me dit une petite voix intérieure.

Le premier pas était fait vers l’achat d’un gps de randonnée. Quelle facilité. Ne pas lire de carte, marcher en toute liberté.

Les longs mois sombres durant lesquelles je suis restée inactive, se font sentir physiquement.  Mon bassin et ma colonne vertébrale inférieure me lâchent. Je marche très attentivement.

Il est midi, je me trouve quelque part en plein milieu des champs aux environs de Dottignies (Dottenijs).

La première coquille, au-dessus est écrit: ‘Bienvenue en Wallonie’. Cela s’entend et ce ressent, lorsque je rencontre les premières personnes. ‘Bonjourrr’ , avec un r qui roule. Des petits villages pittoresques. Bien que j’ai connue ces villages dans mon enfance, je ne les ai jamais trouvés pittoresques dans ce temps-là. Près de Herseaux, à hauteur d’un rond-point nouvellement agencé, se trouve un centre floral. Je cherche la GR. Gauche, droite, retour sur mes pas… je ne la trouve nulle part. Le gps me dirige à travers le centre floral. Le magasin a été construit en plein sur le sentier de la GR. Et hup, disparu le sentier GR… hmmm et maintenant? Inconnu, de toutes les personnes auxquelles je m’adresse.

Je demande conseil à un couple. Je leur demande: “Vous connaissez un peu les environs?” “Oh tu participes à l’émission de télévision, tu sais bien celle… heu… juste après le journal…”, me demande la femme. Je lui réponds par un sourire.

Je parcours le parking longeant le bâtiment, débris, hautes herbes… trouvé! Je traverse la rue très fréquentée. Evregnies, le village des sabots, direction Pecq. Je loge chez mon frère cadet et ma filleule Liudmila.

Un peu de cuisine. Un peu d’aide avec les devoirs. Arithmétique, pas mon fort et certainement pas quand il y a des traits entre les chiffres. J’apprends. Temps d’aller dormir. D’abord encore se blottir l’une contre l’autre. Un selfie, une photo que tu fais de toi-même. On est comme deux ados. Mon cœur est content.

On éteint la lumière. Bonne nuit.

GPX Bestand Rollegem à Mont-de-l’Enclus

Wallonië

Vandaag begin ik aan de tocht waar de Jakobskerken van Wallonië verbonden zullen worden met die van Vlaanderen. Geen uitgestippelde weg. Een nieuw avontuur tegemoet. Het was even puzzelen hoe ik het driehoekje Aalbeke – Doornik (Tournai) – Ronse (Renaix) zou verbinden. Boeken, topografische kaarten… een huzarenstukje. ‘Oh, Jasmine! En een gps’, zei een klein stemmetje. En zo kwam de eerste stap naar een wandel-gps. Wat een gemak. Geen kaart lezen, vrij wandelen.

De lange, luie donkere maanden zijn voelbaar in mijn lijf. Mijn bekken en de lage rugwervels laten het afweten. Iedere stap zet ik bewust neer. Het is middag, ergens te midden de velden in de buurt van Dottenijs (Dottignies). De eerste schelp, daarboven staat ‘Bienvenu en Wallonie’. Dat is hoor- en voelbaar wanneer ik de eerste mensen ontmoet. “Bonjourrrr”, met een r die blijft aanslepen. Kleine pittoreske dorpen. Hoewel ik die dorpjes ken vanuit mijn jeugd, pittoresk heb ik ze toen nooit ervaren. Ter hoogte van een nieuw aangelegd rondpunt bij een bloemencentrum in de buurt van Herseaux zoek ik het GR-pad. Links, rechts, terug… nergens te vinden. De gps stuurt mij dwars doorheen het bloemencentrum. Het centrum bouwde pal op het GR-pad. Ribedebie, verdwenen is het GR-pad… Hmm, en nu? Onbekend voor al wie ik aanspreek.

Ik vraag raad aan een koppel: “Kennen jullie hier een beetje de buurt?”, vraag ik hen. “Oh, doe jij mee aan dat tv programma, je weet wel op den… huh, net achter het nieuws…”, vraagt de vrouw me. Ik antwoord met een glimlach. Ik loop de parking af langs het gebouw. Puinhoop, lange grassen… gevonden! De drukke straat over. Het klompendorp Evregnies, richting Pecq. Mijn slaapplaats ten huize van mijn jongste broer en metekind Liudmila.

Potje koken. Hulp bij de leerstof. Rekenen, oeps, niet mijn sterkste kant en zeker niet wanneer er strepen tussen getallen staan. Ik leer bij. Tijd voor het slapengaan. Nog eerst even dicht bij elkaar. Een selfie, zo een beeld dat je neemt van jezelf. We zijn net twee pubers. Mijn hart is blij. Het licht gaat uit. Slaapwel.

 

Antwerpen

 

Zicht op Antwerpen vanuit de haven

Met de klank van een doedelzak mag ik deze morgen ontwaken bij Hugo en Rosine. Na het ontbijt brengt Hugo me terug naar Kapellen. Een bezoek aan één van de achttien Sint-Jacobskerken in Vlaanderen. Vooraan staat een vrouw de bloemen te schikken voor de vieringen deze week. “We zijn allemaal vrijwilligers die werken in de kerk”, vertelt Annie me. “Mag ik een foto van je nemen, Annie?” “Ja hoor”, en Annie neemt een fiere houding aan bij het altaar. Na het bezoek aan de kerk neem ik afscheid van Hugo en zet ik verder koers richting Antwerpen.

Na de prachtige natuurgebieden van gisteren waag ik me via het stedelijk gebied naar het centrum. De wagengeluiden zijn terug aanwezig, vanaf de haven zijn ze gelukkig wat minder. De dokken,  hangar 27 en het MAS weet ik te appreciëren. Regen en zonneschijn wisselen elkaar af. In de verte een boot uitvaart. Het geeft een bijzonder gevoel, te weten dat je via deze brede wateren verbonden bent met de grote zeeën. Na de wandeling heb ik niet veel zin om de stad te trotseren. Ik ga onmiddellijk richting de toeristische dienst, waar ik de sleutel kan krijgen voor de pelgrimsherberg. Een kwartier nadien ontmoet ik er Luk, de hospitaliero (iemand die pelgrims opvangt). Ik deel het waarom van deze tocht. Na het delen wordt mij een bedrag gevraagd. Ik betaal, de moed om een andere overnachtingsplaats te zoeken heb ik niet meer. Zut, na zesendertig dagen wandelen en als lid van de Compostelavereniging is dit mijn eerste betalende overnachting. Dankzij Hugo, die me deze morgen ontwaakte met de doedelzak, is deze verzorgde herberg ontstaan. Ik mag hopen dat andere gemeenten op de Compostelaweg dit voorbeeld mogen volgen.

Philip, een vriend komt me ’s avonds bezoeken en trakteert me op restaurant. Een goed stevig stuk vlees om terug op kracht te komen. Ene gaan drinken in de catacomben van ‘De Pelgrom’. Een cappuccino. Dank je Philip, het was een fijn weerzien. Een reactie van mijn overleden grootmoeder komt terug in mijn geheugen. Ik hoor het haar nog zeggen alsof het gisteren was, toen ik haar vertelde dat een vreemde man me getrakteerd had op de luchthaven in Thailand: ‘Jah, en wat heb je daarvoor moeten doen dat een man je gratis trakteert?’ Ik laat in het midden wat ze bedoelde. Eén ding is zeker: ze wist niet wie haar kleindochter was. Tja, gelukkig dat ik haar graag zag.

GPX bestand Kapellen naar/à Antwerpen

Anvers

Je me réveille ce matin, au son de la cornemuse, chez Hugo et Rosine. Après le petit-déjeuner Hugo me ramène à Kapellen. Une visite à une des dix-huit églises Saint-Jacques de Flandre. Devant, une femme range les fleurs pour la célébration de cette semaine. “Nous sommes tous des volontaires travaillant dans l’église”, me raconte Annie. “Puis-je te prendre en photo, Annie?” “Oui, bien sûr” et Annie prend une attitude fière devant l’autel. Après la visite de l’église je prends congé d’Hugo et continue mon chemin direction Anvers (Antwerpen).

Après les magnifiques réserves naturelles d’hier je m’engage dans la zone urbaine et me dirige vers le centre. Le bruit des véhicules est à nouveau présent, à partir du port heureusement un peu moins. J’apprécie les quais en passant par le hangar 27 et le MAS (‘Museum aan de stroom’ à Anvers). La pluie et le soleil en alternance. Au loin un bateau en partance. Savoir que par ces eaux larges je suis reliée aux grands océans me donne une sensation spéciale. Après la promenade je n’ai pas envie de défier la ville. Je me rends directement à l’office de tourisme ou l’on peut me remettre la clé de l’auberge des pèlerins.

Un quart d’heure plus tard je rencontre Luk qui y est hospitaliero (personne accueillant les pèlerins). Je partage le pourquoi de ce trajet. Après le partage il me demande une somme d’argent. Je paye, car je ne me sens pas le courage de chercher un autre logement. Zut, après trente-sept jours de marche et en étant membre de l’association de Compostelle ceci  est ma première nuitée payante.

C’est grâce à Hugo, qui ce matin m’a réveillée au son de la cornemuse, que cette auberge bien tenue est née. J’ose espérer que d’autres communes sur le chemin de Compostelle suivront cet exemple.

Philip, un ami, vient me rendre visite dans la soirée et me paix un restaurant. Un bon morceau de viande pour reprendre force. Aller boire un verre dans les catacombes du ‘De Pelgrom’. Un cappuccino. Merci, Philip, se furent d’agréables retrouvailles. Une réaction de ma défunte grand-mère me revient. Je l’entends encore le dire comme si c’était hier, lorsque je lui ai raconté qu’un étranger m’avait payé un repas à l’aéroport en Thaïlande: “Et qu’est-ce que tu as du faire pour qu’un homme te régale gratuitement?”. Je laisse ce qu’elle voulait dire, pour ce que c’est! Une chose est sure elle ne connaissait pas sa petite fille. Heureusement que je l’aimais bien.

Vertrouwen

 

Jasmine Debels (1 van 1)-3

Heppeneert

Achter mij de voordeur van de pastorie van As. Voor mij een bijna leeg grasveldje op een paar witte partytentjes na. Ik wandel onmiddellijk de natuur in door het ‘Nationaal Park Hoge Kempen’. Als ochtendgymnastiek beklim ik de replicaboortoren, waarmee boormeester André Dumont in 1901 de eerste steenkool in As bovenhaalde. Honderdvijfendertig trappen. Boven heb ik een zicht over het nationaal park. Vanaf hier wandel ik elf kilometer lang in één rechte lijn richting Elen. Eindelijk kan ik de routebeschrijving eens voor een lange tijd in mijn broekzak laten. Op de weg heel veel fietsers en één vreemde eend. Vaak hoor ik mensen zeggen: “Voel jij je niet eenzaam?  Dit zou ik niet kunnen.” Zelden voel ik me eenzaam. Fietsers en wandelaars zeggen elkaar geregeld goedendag. Een klein en waardevol gebaar. Verbintenis. Ik stap een kampdomein op. Einde van het kamp. Spanning en stress zijn te voelen. Ouders schrobben de lokalen. Een lichte paniek is zichtbaar wanneer ik hen vraag om de toiletten te gebruiken. Een platte kaas en een yoghurt worden me aangeboden. Ook mijn twee resterende broodjes uit Bilzen eet ik op.

Met mijn lichaam terug op krachten, stap ik zelfverzekerd verder. Op de hoek een wit huis dat mijn aandacht trekt. Een vrouw spreekt me aan: “Naar waar gaat u?” “Naar ginder!” en ik stap verder. “Dat mag niet!” Nog altijd zelfverzekerd en met een vriendelijke glimlach antwoord ik, “Ja toch, dit is mijn pad, het is juist.” Tot de vrouw me meldt dat dit eigendom is van het Vipassana Meditatiecentrum. En plots wordt het me duidelijk dat mijn gedachten bij dit centrum liggen en effectief, hmmm, de wandelroute is er net naast. Hi, ik voel me net een puber die iets mispeuterd heeft. Een wielrenner en zijn vrouw keren even terug nadat ze mijn Jakobsschelp achterop hadden gezien. We wisselen ervaringen uit rond de camino, praten over de buurt waar ik nu door wandel. De vrouw zegt “Daar moet je toch sterk voor zijn om zoiets te ondernemen!” Deze zin blijft hangen. Ben ik sterk? Ik gebruik liever het woord krachtig. Vaak hoor ik angst bij de ander of verschillende redenen worden aangekaart om niet van start te gaan. Ik ben ervan overtuigd dat er heel veel mensen zo een weg kunnen afleggen. Vertrouw in jezelf. Vertrouw in wat de weg je brengt. Wanneer je de deur opent naar wat je binnenin voelt, dan geef je jezelf de kans om te groeien. Eenmaal die deur open is, geef je jezelf de kans om in je kracht te staan. Je komt in een wereld die je niet onbekend is. De wereld van je ‘Zijn’.

In Heppeneert volg ik een misdienst mee onder twee lindebomen. ’s Avonds kom ik bij de zusters Maria en Marie-Thérèsa terecht in Maaseik.

GPX Bestand Rekem naar/à  Maaseik

Confiance

Derrière moi la porte d’entrée du presbytère de As. Devant moi une pelouse presque vide, à quelques tentes près. Je marche directement à la rencontre de la nature dans ‘Le Parc National de la Haute Campine’(Nationaal Park Hoge Kempen). Comme gymnastique matinale, je grimpe à l’intérieur de la réplique de la tour de forage dans laquelle en 1901 André Dumont remonta le premier charbon de As. Cent trente-cinq marches. En haut une vue d’ensemble du Parc National.

À partir d’ici, je marche onze kilomètres en ligne droite, direction Elen. Enfin je peux laisser  la description de l’itinéraire, un long moment dans la poche de mon pantalon. Le long de la route beaucoup de cyclistes. Souvent je m’entends dire; “Tu ne te sens pas seule? Moi je ne saurais pas faire ça.” Il est rare que je me sente seule. Cyclistes et promeneurs se saluent mutuellement. Un bonjour, un petit geste précieux. Une connexion.

J’entre dans un campement. Fin du camp. Tension et stress sont présents. Des parents récurent les locaux. J’entends de l’anxiété, quand je demande à utiliser les toilettes. Un fromage blanc et un yaourt me sont offerts. Je mange aussi les deux pains qui me restent et qui viennent de Bilzen.

D’un pas ferme, et avec un corps qui a repris force, je continue ma marche. Sur le coin une maison blanche qui attire mon attention. Une femme m’adresse la parole, “Vous allez où?” “Vers là-bas!”, et je continue de marcher. “Vous ne pouvez pas.” Encore toujours confiante et avec un gentil sourire je lui réponds, “Si quand même, c’est mon chemin, et il est juste.” La femme me dit que c’est la propriété du Centre de Méditation Vipassana. Et soudain je me rends compte que mes pensées sont dans ce centre et effectivement, hmmmm, le chemin passe juste à côté. Hihihi, je me sens comme une adolescente ayant fait de travers.

Un coureur et sa femme reviennent sur leurs pas après avoir remarqué la coquille Saint-Jacques sur mon dos. Nous échangeons des expériences du camino. Parlons des environs dans lesquelles je me trouve aujourd’hui. La femme dit, “Pour entreprendre cela vous devez quand même être forte!” Cette phrase reste dans mes pensées. Suis-je forte? Je préfère le mot puissante. Bien souvent j’entends de l’anxiété chez les autres où de différentes raisons sont abordées pour ne pas prendre le départ. Je suis persuadée que beaucoup de gens peuvent faire un tel parcours. Avoir confiance en soi. Faire confiance à la route et à ce qu’elle vous apporte.

Quand tu ouvres la porte à ce que tu ressens au fin fond de toi, alors tu te donnes la chance de grandir, d’apprendre, d’évoluer. Une foi la porte ouverte, tu te donnes la possibilité de développer ta force intérieure. Tu entres dans un monde qui ne t’est pas inconnu. Le monde de ton ‘être’.

À Heppeneert je suis une messe sous deux tilleuls. Le soir j’atterrie chez sœur Maria et sœur Marie-Thérèsa à Maaseik.

 

Spikboomkapel

Jasmine Debels (1 van 1)-2

Dries en Seppe

 

Een paar kilometers buiten de stad Sint-Truiden zoek ik de Spikboomkapel. Ik hoor geklop en getimmer. Op een eilandje op de hoek van een straat, twee mannen, een gebinte, een lemen muur. De kapel is in renovatie. Een hond komt blaffend aangewandeld ‘Blaika’. “Is dit de Spikboomkapel?”, “De Spikboomkapel, ja”, antwoordt Seppe. “Amai, zo een mooi werk dat jullie hier doen”, zeg ik vol bewondering. Een beitel, een werkbank, eikenhout, een gat en een pen. Volgens de ‘regels van de kunst’ en met veel zorg wordt deze kapel gerestaureerd. Het totaalplaatje klopt gewoon. Twee mooie mannen (Seppe en Dries), vakmanschap, een kapel.

Het korte moment dat ik bij hen stond was zalig. Wanneer ik verder wandel, blijf ik het getimmer nog een eindje horen. Negen kilometer wandel ik op Romeinse kasseien langs vele historische punten. Aan het eerste punt een galg en een bank. Op de bank zit Coos, een fietser op doortocht op de LF-route. Ik zet me erbij. Onze onderwerpen: fietsen, wandelen en vooral ervaringen delen over de camino naar Santiago. Coos was er een paar jaar terug. Met zijn 71 jaar doet hij dit prima.

De weg gaat op en neer, schitterende vergezichten tussen de wisselende fruitboomgaarden. Af en toe een korte regenbui. De weg heeft iets mysterieus. Niet vreemd wanneer je hoort over Tjenne de heks, galgen, Onze-Lieve-Vrouwkes, kastelen. Ik hou halt aan een eikenbosje. De bomen hebben takken met grillige vormen en een laag bladerdek. Stilte. Een briesje komt voorbij. Ik draai me om. Ik schrik. Op één meter achter me, een schaap. Het staat me onbeweeglijk aan te kijken. De lucht wordt egaal grijs. Ik zal er deze keer niet aan ontsnappen. Rugzak inpakken. Fototoestel in veiligheid brengen. Regenvest aan. Check, alles klaar. Al zingend ga ik verder. Van het liedje ‘In het bos daar staat….’ maak ik een eigen versie. “In de straat daar staat een huisje. Keek eens even door het raam. Kwam een vrouwtje aangelopen. Klopte even aan. Help mij! Help mij! Uit de nood. Of mijn buikje is in nood. Kom maar in mijn huisje fijn. ‘k Zal je dankbaar zijn.” Het begint te gieten, de regen valt met bakken uit de lucht. Al wiebelend en zingend ga ik verder. Ik breng mijn nacht door bij de Grauwzusters in Tongeren. ’s Avonds zit ik met zeven zusters rond de tafel. De verhalen vloeien, het één na het ander. De zusters luisteren aandachtig. Voor het slapengaan zit ik nog samen met hen in het salon. Wat voelt het hier goed. Na de late uurtjes van de laatste dagen probeer ik er deze avond vroeg in te kruipen.

Voor het slapengaan krijg ik nog een boodschap via Facebook van Seppe.

‘Jasmine, je verkwikte vanmorgen onze werf tijdens je bezoekje. Het bleef nog even hangen…We wensen je een behouden reis en met die glimlach op je gezicht ga je nog mooie mensen ontmoeten. Geniet van je pelgrimstocht’. Met deze mooie woorden gaat mijn nacht in.

GPX Bestanden Sint-Truiden naar Tongeren / Saint-Trond à Tongres

La chapelle de l’Aubépine

À quelques kilomètres, en dehors de la ville de Sint-Trond (Sint-Truiden), je cherche la chapelle de l’Aubépine (Spikboomkapel). J’entends des frappements et du martelage. Sur un îlot au coin d’une rue, deux hommes, une charpente, un mur en argile. La chapelle est en rénovation. Un chien approche en aboyant ‘Blaika’. “Est-ce la chapelle de l’Aubépine?”

“Oui”, répond Seppe. “Eh bien dite, quel beau travail vous faite”, dis-je émerveillée. Un ciseau à bois, un établi. Du bois de chêne, un trou et une cheville. Cette chapelle est restaurée selon ‘les règles de l’art’ et avec beaucoup de soin. Le tout est exacte. Deux beaux hommes; Seppe et Dries, de l’artisanat, une chapelle.

Le court moment passé en leur compagnie était sublime. Je continue à entendre le martelage en m’éloignant. Je marche durant neuf kilomètres sur des pavés romains et leurs nombreuses histoires. Au premier point de repère, une potence et un banc. Assis sur le banc, Coos. Un cycliste de passage sur la LF-route. Je m’assieds à ses côtés. Notre sujet de conversation, le vélo, la marche et surtout le partage d’expériences durant le camino. Coos y était voilà quelques années. Il porte bien ses 71 ans.

La route monte et descend, de magnifiques vues entre les vergers alternants. De temps à autre une courte pluie. Le chemin a quelque chose de mystérieux. Pas drôle quand on entend les histoires de Tjenne la sorcière, de la potence, des chapelles de la Sainte-Vierge, des châteaux.

Je fais halte près d’un bois de chênes. Les branches des arbres ont des formes capricieuses, un feuillage bas. Silence! Une brise passe. Je me retourne. Je sursaute. Un mètre derrière moi un mouton. Immobile, il me regarde. Le ciel tourne au gris. Cette fois je ne vais pas y échapper. Emballage du sac à dos. Mettre l’appareil photo en sécurité. Endosser ma veste de pluie. Voilà, tout est prêt. Je continue mon chemin en chantant une chanson Flamande, dont je fais ma propre version. ’In de straat daar staat een huisje. Keek eens even door het raam. Kwam een vrouwtje aangelopen. Klopte even aan. Help mij! Help mij! Uit de nood. Of mijn buikje is in nood. Kom maar in mijn huisje fijn. ‘k Zal je dankbaar zijn.’

Il commence à dracher. La pluie tombe à flots. En dansant et en chantant je continue ma route. Je passe la nuit chez les ‘Grauwzusters’ à Tongres (Tongeren). Le soir je suis attablée en compagnie de 7 sœurs. Les histoires se succèdent. Les sœurs écoutent attentivement. Avant d’aller me coucher nous passons encore un peu de temps ensemble dans le salon. Qu’on est bien ici.

Vu les heures tardives des derniers jours, j’essaie de me coucher tôt. Avant de m’endormir je reçois encore un message de Seppe sur FB. ‘Jasmine tu as rafraîchi notre sentier ce matin par ta visite. Cela resta encore quelque temps dans l’air. Nous te souhaitons un bon voyage et avec ton sourire tu rencontreras certainement encore de belles personnes. Profite bien de ton pèlerinage’. Je commence ma nuit avec ces belles paroles.

 

 

Zoniënwoud

 

Jasmine Debels (1 van 1)-2

Zoniënwoud

Ik ga naar de koelkast. Op het beleg een leuke verrassing van de studenten, een dessertkoek. Ik maak mijn picknick klaar. Check mijn rugzak. Niets vergeten! Ik trek de voordeur achter mij dicht terwijl de studenten nog slapen.

In Watermaal-Bosvoorde wandel ik door een mooie kleurrijke wijk. Wanneer ik hierdoor wandel heb ik niet de indruk in België te zijn. Alle raamwerk en deuren zijn in het geel geschilderd. Een prachtige buurt. Rond de middag kom ik aan in het Rood-Klooster, aan het begin van het Zoniënwoud. Een bank in de schaduw. Een vrouw, op wachtend… op een man. Te laat! Een fietser komt aangereden. In een mum van tijd haalt hij zijn picknick uit, eet het op en zit zo weer op zijn fiets. De vrouw vraagt me of ik al lang op weg ben, en zegt: “Ik ben hier om een ommekeer te maken in mijn leven. Ik wacht mijn ex-lief op. Hij blijft me telkens terug opbellen”. “Blijkbaar is het voor hem niet duidelijk dat het over is”, gaat ze verder. Waarop ik antwoord, “En was het duidelijk?” We wisselen nog wat woorden en de vrouw nodigt me uit voor een overnachting. Ik bedank vriendelijk. Vijftien minuten nadien komt de man aan. Ik blaas mijn slaapmat op, trek mijn schoenen uit en ga languit liggen, genietend van de schaduw en de rust op deze rustige serene plaats. Vijftien uur! De rust is over, vliegtuigen beginnen te landen. Op een paar honderd meter naast me, de vrouw, hand in hand met de man.

Ik wandel het grote Zoniënwoud verder in. Hoge stoere beukenbomen. Witte vlinders fladderen net boven de varens. De warmte heeft ook het bos bereikt. Mijn drinkwater geraakt op. Dorstig. Door het arboretum. Na drie uur wandelen kom ik eindelijk het Zoniënwoud uit. Vreemd, een verademing, een andere wereld. Een gevoel alsof ik uren opgesloten ben geweest of zal ik het dagen noemen. Een mirage!? Vermoeid, emotioneel, ontroerd. Een traan. Een kreet. Neen, het is echt. Ik ben wel degelijk aan de andere kant van het woud, weg van Brussel.

Duisburg. Op een bank in de tuin, Alida en Roger. “We hebben kamers genoeg”, zegt Alida. Een opluchting! Een ijsje wordt me aangeboden en we zitten nog uren te babbelen op de bank in de tuin. Oef, het vele geluid van de motoren, de uitlaatgassen, de drukte en de vele impressies, weg zijn ze! Roger en Alida vertellen over hun vier kinderen en elf kleinkinderen. Ik luister aandachtig naar hun boeiende en rijke verhalen van vroeger. Roger toont me zijn serre. Met grote fierheid legt hij uit welke soort druiven hij heeft. Zijn moestuin staat er picobello bij. Een komkommer wordt geplukt voor morgen bij de picknick. Het fruit is om confituur van te maken. Een verfrissende douche. Alle kleren in de wasmachine. Ik val in slaap in een zacht bed, een veilige en warme thuis.

GPX Bestand Tervuren naar Brussel / Tervuren à Bruxelles

Forêt de Soignes

Je vais vers le frigo. Sur la charcuterie, une agréable surprise déposée par les étudiantes. Une viennoiserie. Je prépare mon pique-nique. Contrôle de mon sac à dos. Rien oublié. Je tire la porte derrière moi tandis que les étudiantes dorment encore.

À Watermael-Boitsfort (Watermaal-Bosvoorde), je traverse un quartier rempli de couleurs. Me promenant ici, je n’ai pas l’impression d’être en Belgique. Toutes les portes et les fenêtres sont en peinture jaune. Un voisinage très agréable. Vers midi j’arrive au Rouge-Cloître (Rood-Klooster), en début de la forêt de Soignes (Zoniënwoud). Un banc à l’ombre. Une femme, en attente…d’un homme. Trop tard. Un cycliste arrive. En un rien de temps, il sort son pique-nique, le mange et remonte sur son vélo. Elle me demande si je suis en route depuis longtemps. “Je suis ici pour changer ma vie. J’attends mon ancien petit ami. Il continue à me téléphoner”, me raconte-t-elle. “Apparemment ce n’est pas clair pour lui que c’est fini”, continue-t-elle. Sur quoi je lui réponds, “Et c’était clair?!” Nous échangeons encore quelques mots et la femme m’invite pour la nuit. Je la remercie gentiment. Un quart d’heure plus tard l’homme arrive.

Je sors ma natte, enlève mes chaussures et m’étend de tout mon long. Je profite bien de l’ombre et du repos à cet endroit calme et serein.

Quinze heures. Fini le repos, des avions commencent à atterrir. À une centaine de mètres de moi la femme main dans la main avec l’homme.

Je continue ma balade, m’enfonçant plus profondément dans la longue forêt de Soignes. Des hêtres forts et hauts. Des papillons blancs volent juste au-dessus des fougères. La chaleur a aussi atteint la forêt. L’eau buvable s’épuise. Assoiffée.

Traversée de l’arboretum. Après trois heures de marche je quitte enfin la forêt de Soignes. Étrange, une bouffée d’air, un autre monde. L’impression d’avoir été enfermée durant des heures ou dirais-je des jours. Un mirage!?

Fatiguée, émotionnelle, émue. Une larme. Un cri. Non, c’est bien vrai. Je suis bien de l’autre côté de la forêt, sortie de Bruxelles.

Duisburg. Sur un banc dans le jardin, Alida et Roger. “Nous avons assez de chambres”, me dit Alida. Un soulagement! Une glace m’est présentée et nous restons encore des heures à parler sur un banc.

Ouf! Le bruit de moteurs, les gaz d’échappement, l’agitation et les nombreuses impressions. Elles sont parties.

Roger et Alida me parlent de leurs quatre enfants et onze petits-enfants. Je prête une oreille attentive à leurs captivantes et riches histoires d’antan. Roger me montre ses serres. Avec beaucoup de fierté, il m’explique les sortes de raisins qu’il a. Son potager est parfaitement entretenu. Un concombre est cueilli pour le pique-nique de demain. Les fruits sont quant à eux pour les confitures.

Une douche rafraichissante. Tous les vêtements dans la machine à laver. Je m’endors dans un lit douillet, dans une maison sûre et chaleureuse.

 

Brussel

Jasmine Debels (1 van 1)

Sint-Jacob-op-de-Koudenbergkerk

Ola wandelt mee tot in het centrum van Brussel. Via het GR-pad ontdek ik de hoofdstad langs minder drukke wegen. We praten nog wat bij over het gesprek van gisteravond. In het park van Vorst denk ik plots in één of ander park te zijn ergens ver weg van hier. Felgroene dikke parkieten. Een massa. De twee uur naar het centrum gaan snel voorbij. De Grote Markt van Brussel staat vol tribunes. Tien uur, ik zoek schaduw. Mijn dagboek. Engels, Duits, Zweeds, Japans, Chinees, Portugees…de talen die te horen zijn rondom mij. Mijn lichaam voelt zwaar en moe.

Ik ga wat verder. Van de Grote Markt naar het Koningsplein. In de kerk Sint-Jacobs-Op-De-Koudenberg volg ik de eucharistieviering mee. Ik weet de frisheid van de kerk te appreciëren. Voor mij staat het beeld van Jacobus. Het behoort tot de mooiste die ik tot nu toe heb gezien. Een gepolychromeerd beeld uit 1888 door Ch.Vleminckx. In het Warandepark staat het vol kraampjes met als thema de Middeleeuwen. Zelfs Merlijn en zijn buizerd ‘Gipsy’ zijn er. Aurélie, een jonge vrouw zit naast de buizerd, ze draagt zorg voor Gipsy terwijl Merlijn eventjes verdwijnt. Ik vertel haar mijn ervaring en het contact met het dier sedert de camino. “Vous voulez la caresser?”, vraagt ze, terwijl ze me met een zachte blik aankijkt. “Non merci, pas pour le moment.” Zonder veel woorden blijf ik hier wat staan en zie ik hoe zacht deze vrouw omgaat met wat er allemaal rond de buizerd gaande is. Kracht en zachtheid verenigd. Kinderen staan vol verbazing te kijken. Plots heb ik contact met de buizerd. Het oogcontact is niet te onderbreken. Doordringend. Alles rond mij wordt stil. Ik hoor enkel nog mijn ademhaling en zie enkel nog de ogen van de buizerd. Terug! Ik streel de buizerd. ” Elle vous a vue”, zegt Aurélie. “Oui, c’est comme si je me voyait a travers les yeux de Gipsy”, weet ik te vertellen. Waw, sterke gewaarwordingen. We wisselen elkaars gegevens uit.

Veertien uur, nog een stukje verder. Van het Warandepark naar het Flageyplein. Rust aan een vijver. De Abdij Ter Kameren. Ik bel aan. Een broeder doet open. Een grote forse man met een baard en een zachte stem, in een witte pij. “Vous venez d’où”, vraagt hij me. Ik leg in het kort uit wat mijn weg is. We hebben het over de Abdij van Leffe en père Bruno. “Nous venons de la bas. Allé, bonne route.” “Merci, bonne soirée”, en ik vertrek met het adres van de zusters in Saint-Gilles. Het Ter Kamerenbos. Een diepe zucht. Terug frisheid, de geur van een bos. Even weg van de drukte van de stad en het geluid van de wagens.

Uit het bos. Elsene. Bij een traiteur vraag ik of ze me kunnen helpen aan een overnachting. “Vous voulez mon numéro de téléphone”, vraagt een studente me. “Pardon?” Even wordt de vraag herhaald. “Oh, c’est sympa. Vous travaillez jusque quelle heure?” “Jusqu’à dix-neuf heures.” Ik kijk op mijn uurwerk.  “Bhein super, je vous attends ici!” De eigenaar van de zaak wijst me een bank verderop in de straat. De klok van de kerk luidt negentien uur. Een paar minuten nadien komt de studente naar buiten, Sarah. Een overnachting op een studentenkot. Lang geleden. Julie is ook aanwezig. Allebei hebben ze tweede zit. Ik proef de verrukkelijke maaltijd van Sarah. Nadien help ik even in de keuken. Voor het slapengaan zit ik met Sarah, Julie en nog drie andere studenten op hun terras. Op tafel drank, tabak en een doorzichtig zakje. Ik ga vroeg slapen.

GPX Bestand Tervuren naar Brussel/ Tervuren à Bruxelles

Bruxelles

Ola m’accompagne jusqu’au centre de Bruxelles. Suivant le sentier des grandes randonnées, je découvre Bruxelles en parcourant des routes moins fréquentées. Nous continuons encore un peu de la conversation d’hier soir. Dans le parc de Forest, je me crois soudainement dans un parc quelque part loin d’ici. De grosses perruches aux couleurs vives. En masse. Les deux heures qui me séparent du centre passent très vite. La Grand-Place de Bruxelles est remplie de tribunes. Dix heures. Je cherche l’ombre. Mon journal. Anglais, Allemand, Suédois, Japonais, Chinois, Portugais ….les langues que j’entends autour de moi. Mon corps est lourd et fatigué.

Je fais encore un bout de chemin. De la Grand-Place à la Place Royale. Dans l’église Saint-Jacques-sur-Coudenberg, je suis la messe. J’apprécie la fraicheur de l’église. Devant moi la statue de Saint-Jacques. Elle fait partie des plus belles que j’ai vue jusqu’alors.

Une statue polychrome de 1888 par Ch.Vleminckx.

Dans le Parc de Bruxelles (Warandepark) il y a plein d’étals ayant pour thème le Moyen Âge. Même Merlin et sa buse ‘Gipsy’ sont présents. Aurélie, une jeune femme est assisse près de la buse, elle prend soin de l’oiseau pendant que Merlin disparait pour quelques instants. Je lui raconte mes expériences et contacts avec l’animal durant mon Camino. “Vous voulez la caresser?”, me demande-t-elle avec un doux regard. “Non, merci pas pour le moment.” Sans trop de paroles, je reste sur place et observe la façon dont la femme traite toutes les choses qui se passent aux alentours de la buse. Force et douceur réunies. Des enfants regardent avec étonnement. Soudain, je prends contact avec l’oiseau. Le contact visuel n’est pas à interrompre. Perçant. Tout, autour de moi, devient silence. J’entends juste encore ma respiration et je vois uniquement  les yeux de la buse.

Retour! Je caresse la buse. “Elle vous a vue”, dit Aurélie. “Oui, c’est comme si je me voyais à travers les yeux de Gipsy”, lui dis-je. Waw, sensation forte. Nous échangeons nos coordonnées.

Quatorze heures, encore un bout de chemin. Du Parc de Bruxelles à la Place Flagey. Repos près d’un étang. L’abbaye de la Cambre (Abdij ter Kameren), je sonne. Un frère vient ouvrir. Un homme grand, fort, barbu, à la voix douce en habit blanc. “Vous venez d’où”, demande-t-il. Je lui explique brièvement quel est mon chemin. Nous parlons de l’abbaye Notre-Dame de Leffe et de père Bruno. “Nous venons de là-bas. Allez bonne route.” “Merci, bonne soirée”, et je m’en vais avec l’adresse des sœurs à Saint Gilles. Le Bois de la Cambre. Un profond soupir. À nouveau de la fraicheur, le parfum frais d’un bois. Echapper quelque temps, à la tension de la ville et aux bruits des voitures.

Sortie du bois. Ixelles (Elsene). Chez un traiteur je demande s’ils peuvent m’aider pour un logis pour la nuit. “Voulez-vous mon numéro de téléphone”, me demande une étudiante. “Pardon!” La question est répétée. “Oh, c’est sympa. Vous travaillez jusque quelle heure?” “Jusque dix-neuf heures.” Je regarde ma montre. “Super, je vous attend ici!” Le propriétaire de magasin m’indique un banc un peu plus bas dans la rue. La cloche de l’église sonne dix-neuf heures. Quelques minutes plus tard l’étudiante sort, Sarah. Passer la nuit dans une chambre d’étudiant. Voilà longtemps. Julie est aussi présente. Toutes les deux ont un rattrapage. Je goute au délicieux repas de Sarah. Puis j’aide un peu en cuisine. Avant d’aller dormir je reste avec Sarah, Julie et trois autres étudiantes sur leur terrasse. Sur la table, des boissons, du tabac et un sachet transparent. Je me couche tôt.