Limeuil

Lalinde

​Lalinde is de eerste kleine stad waar het nog wat levend is. Waar enkele handelaars nog kunnen blijven bestaan. Geen overdaad, net genoeg.

Een quiche voor ontbijt in een plaatselijk café.
Aan de toog, drie mannen. Alle drie een goede ronde buik, ongeschoren. De ene een berret, de andere twee mannen een pet op hun hoofd. Op de toog, rilliette, frans brood en camenbert. Tussen hen een duitse herder die wacht tot iets zou naar beneden vallen. Op de achtergrond radio Nostalgie.  Het onderwerp: jagen, wandelwegen, GR6. Allen een aangenaam accent Perigourdin. Ik geniet van hun gezelschap in stilte.

Via het kanaal naar Mauzac. Een dikke ochtendmist. Platanen en populieren. Het zicht is subliem. 

Een lange metalen wand, erboven op, prikkeldraad. Op de hoek een uitkijktoren. De gevangenis. Een vreemd gevoel. Vrijheid versus gevangen. Gevangen zijn waar! Gevangen zijn is  niet altijd achter tralies, gevangen in eigen handeling en of gedachten. Een iets is voor mij zeker, wandelen laat wanden en muren verdwijnen.

Een roodborstje zingt uit volle borst. Een fox-terriër staat te blaffen en te springen onder een boom. Zijn prooi een poes. Wat verder zijn baasje staat te roepen.
‘Vous crier après votre chien?’ ‘Oui, j’y je ne le retrouve pas il reviendra pas si je ne vais pas le cherchez.’ ‘Il est la plus loin endessus le chataigner’. De man vertekt hem halen. Ik draai me nog eens om. ‘Monsieur, il est ici’. Hij zat plots achter mijn hielen terwijl zijn baasje de andere kant op was. Blijkbaar toch wel een gehoorzame hond.

In Mauzac kan ik na de middag verder in sjort en t-shirt. De twintig graden doet deugd na de ochtendfrisheid. Een weg neemt me mee naar boven op een rots. Van hieruit heb ik een schitterend zicht op de vallei en de Dordogne. Subliem. Wat een prachtige streek. 

Van Trémola naar Limeuil via eikenbossen. Een uil, een hermeline, vogels, vlinders en wat slakken vergezellen me afwisselend richting mijn slaapplaats. Ik ben benieuwd waar ik deze avond terecht zal komen. Limeuil is een van de mooiste dorpen van Frankrijk, gelegen langs de Dordogne en stevig klimmen voor naar het centrum van het dorp te gaan. Aan de eerste deur waar ik aanklop. Geen plaats, wel ernaast in het restaurant. De vrouw voelt zich wat verveelt. Ik vind het zalig. Een warm ingericht restaurant met zicht op de vallei. In het openbaar toilet van het dorp maak ik gebruik van de lavabo om me te wassen. Terwijl ik me was sta ik te kijken hoe een spin haar prooi beet neemt. Dit was vroeger niet mogelijk geweest, met de spinnenfobie die ik had, was ik hier zelfs niet binnen kunnen komen. Het koude water heeft me deugd gedaan. Terug buiten voelt het als een zomeravond. De zon is onder, tijd voor een nachtrust.

Festival

Plots ben ik in een andere wereld. Een vreemd geluid vult de kamer. Geen vogels of takken, maar een wekker met een raar geluid. Ik spring uit bed, zet mijn hand op de wekker en verstop die onder mijn hoofdkussen. Hopelijk wordt Siméon niet wakker. In alle rust neem ik een ontbijt met Anne en Benoit. Bij het verlaten loopt Benoit met Siméon op zijn arm. Hij doezelt langzaam in.

Het begint te regenen. Een lichte motregen, net genoeg om geen regenjas nodig te hebben. In le Café association de Léguillac-de-Cercles word ik uitgenodigd aan tafel met zangers, muzikanten, goochelaars en vrijwilligers. Een festival. Ik geniet van een clownoptreden en de lachende kinderen. Ik geniet van de gezellige sfeer en blijf hier wat plakken tot 17 uur.

Terug tijd om naar Brantôme te gaan, regen of niet. De lichte regen geeft een mystieke sfeer aan het landschap. De contrasten creëren diepte. Mijn benen dragen me door het wijdland en de bossen. Ik blijf lopen, het voelt goed en bevrijdend voor lichaam en geest. Mijn geest is ontspannen. Het wordt donker, ik gebruik een hoofdlamp die niet genoeg verlicht, maar ik ga door. Mijn oren staan op scherp. Geluiden komen sterker binnen als de natuur de nacht in gaat. Ik heb net tijd om niet op de twee vuursalamanders te trappen. Nog een laatste afdaling voordat ik in Brantôme ben. Een opluchting als ik aankom.

Vuursalamander

Dordogne

De plankenvloer kraakt. Juliette is wakker. Aan de ontbijttafel praten we over ouders en kinderen. We bespreken hoe kinderen zich voelen en hoe ouders soms vragen van kinderen ontwijken of niet eerlijk antwoorden omdat ze het zelf niet weten. Dit kan kinderen angstig maken en leiden tot een eigen wereld van onwetendheid. Vertel de kinderen geen leugens en reflecteer je eigen angsten niet op hen. Wees eerlijk. Het is geen ramp om iets niet te weten.

Na de lekkere maaltijd met truffels en verse groenten uit de tuin, proef ik deze morgen Juliette haar heerlijke perencompote. Ik krijg een spoedcursus over paddenstoelen. Ik waardeer Juliette haar wijsheid en kennis. Ik vertrek met een flesje Calendula-olie voor mijn insectenbeten en verse appelen.

Ik verlaat de Charente en kom in de Dordogne. Een 90-jarige vrouw die ik op straat ontmoet, vertelt over haar dorp. ‘Ik hoorde de kinderen. Er was leven in het dorp. Er was een bakker, een kruidenier, een slager, een café en een school. Als we water nodig hadden, gingen we naar de pomp in het dorp,’ zegt ze terwijl ze naar de pomp wijst. Ik kan het me bijna voorstellen en hoor de geluiden in mijn hoofd.

De eerste kastelen van de Dordogne zijn in zicht. Sommige zijn privé, andere zijn hotels. Ik wandel in een bos waar de buxus verdwenen is en vreemde vormen heeft gekregen.

Saint-Pardoux

Van het Argentijnse plateau naar Saint-Pardoux met zijn eenvoudige romaanse kerk. Sarcofagen en grotten. Ik eet mijn lunch met heerlijke tomaten van Hannah en sappige appels van Juliette. Naar Mareuil voor een koffie bij een Belgische dame uit Eeklo. Ik blijf verder wandelen terwijl de zon achter de wolken verdwijnt. Rode kleigrond en af en toe rotsachtig. Campanula en orchideeën. Ik sluit de dag af in een gezin met drie kinderen, waarvan de jongste 5 maanden is.

Het altaar

Odéna zegt dat de weg die ik neem niet goed is en te lang naar Perigeux. De GR 36 gaat om Angouleme en is niet de kortste route. Ik begrijp waarom ze dit zegt.

Voor mij maakt ‘tijd en afstand’ niets uit wanneer ik onderweg ben. Vol vertrouwen volg ik de weg, genietend van wat om me heen en in mij gebeurt, zonder me zorgen te maken over de toekomst.

Langs de velden zijn elektriciteitsdraden gespannen op 60 cm hoogte om de velden te beschermen tegen everzwijnen. Op andere plekken worden de draden gebruikt om de dieren voor de jacht bij elkaar tehouden. Maar de slymertjes weten hoe ze eromheen kunnen komen. Waar ik loop, zijn er enorme grasplekken omgewoeld. Daar waar ze voedsel kunnen vinden, boordevol proteïnen. Uren loop ik verder, wetende dat ze ergens in de buurt zijn.

Bladeren vallen heen en weer. Ik vul mijn broekzakken met kastanjes en noten. De appelbomen hebben heerlijke vruchten. Als ik vanavond zou kunnen koken, wist ik snel wat ik zou maken. De bladeren van de paardenbloem even in de pan, appeltjes erbij, noten roosteren. Een lekkere salade.

De laatste drie dagen is het moeilijker geworden om een slaapplek te vinden. Mensen zijn voorzichtig en openen niet snel hun deuren. Dit is blijkbaar iets wat vaker voorkomt in de buurt. Na vier deuren krijg ik de grote sleutel van de kerk. Een kerk die niet meer in gebruik is. Ik slaap op de enige tafel die er is. Hoog, droog omwille van de natte grond en beschermd. Het altaar.

Le pardon

‘Merci beaucoup pour le delicieux souper’, zeg ik tegen de man van de epicerie terwijl ik een bord en broodmand terug breng. We praten over de weg en reizen. Sedert de camino heb ik een andere kijk op reizen en kan ik tenvolle genieten van wat dichtbij is. Er is hier zoveel te zien, te bewonderen, te ervaren.

La Rochefoucauld. Ik zit op een terras met koffie en mijn dagboek. Terwijl ik om me heen kijk, denk ik aan hoe mooi deze stad vroeger was.

Het oude Carmelietenklooster, waar nu het Rode Kruis en de toeristische dienst zijn, trekt mijn aandacht. Kloostergangen en abdijen hebben me altijd gefascineerd. Het voelt hier goed. Twee uur later verlaat ik La Rochefoucauld via het kasteel.

In de verte zie ik een dreigende lucht. Kleurrijke bloemen bloeien in de voorgrond. Bij een romaanse kerk ga ik naar binnen en loop recht naar het altaar. Ik zet mijn wandelstokken voor me neer, zet één been naar achteren en buig voorover. Het gebeurt vanzelfsprekend, alsof ik dit altijd zo doe. Maar dat is niet zo. Wat gebeurt er met me? Achter me voel ik een duw, verder naar beneden. Ik bied weerstand, maar het lukt me niet. Ik kan het niet meer vasthouden en geef op. Op mijn knieën, steeds dieper, buig ik voorover, met mijn hoofd op de grond. Ik begin te huilen… “pardon” roep ik, snikkend…

Ik laat alles los…zucht. Terwijl ik de kerk verlaat, denk ik aan het ‘Onze Vader’ en aan ‘Le pardon’, wat me al een tijd bezighoudt. Ik begrijp nu ‘pardonne-nous nos offenses, comme nous aussi nous pardonnons à ceux qui nous ont offensés’. Anderen vergeven is niet vreemd voor mij, maar mezelf vergeven! Van wat? Dat weet ik niet, maar het voelt goed. Het voelt bevrijdend. Er komt een zachtheid over me heen. Wat voelt het fijn.

Karmelieten klooster – La Rochefoucauld

Angèle

In mijn handen ligt een hoofd. Iemand is gevallen. Ik geef hulp met een rolstoel. Een luide kreet klinkt in een café. Gezang… Ik voel een hand op mijn arm. Iemand is bij me.

Ik word midden in een droom wakker.

Met mijn fietslicht, dat op mijn wandelstok zit, vertrek ik uit het huis van het gastgezin. Het is zeven uur in de morgen en het is donker. Het duurt even voor mijn ogen zich aan de duisternis hebben aangepast. Ik geniet van wat om me heen gebeurt: het gezang van de vogels in de ochtend, mist die boven de velden zweeft. Het is zo stil dat ik de waterdruppels hoor die van het ene blad naar het andere vallen.
De GR 36 slingert langs de Charente, met af en toe een brug.

Het is stil in de dorpen. Ik ontmoet snel de eerste bar-tabac waar ik een koffie kan drinken. Deze plekken besef ik steeds meer te waarderen, maar ze worden schaarser. Ook de bakkerijen. Door de grote winkelketens en vele belastingen is het voor kleine ondernemers moeilijk om te overleven.

In de verte zie ik windmolens en een dreigende lucht. Er is een regenboog en de aarde is donkerrood-bruin gekleurd. De wind voelt warm aan. Mijn regenvest en trui zitten diep in mijn rugzak verstopt.

‘Hallo mevrouw, kunt u me vertellen of er in het dorp een plek is om te rusten? Een bar-tabak, een bakkerij?’ vraag ik laat in de middag aan een vrouw die uit het gemeentehuis komt. ‘Oh, mijn kleine dame. Oh nee, dat is allemaal verdwenen. Wat wilt u?’ Ze nodigt me uit voor een kopje koffie. Terwijl de koffie zijn geur verspreidt, praten we over het leven in de dorpen. We praten elkaar aan alsof we bekenden zijn. Bij het afscheid zeg ik tegen de vrouw: ‘Ik ben uw naam vergeten mevrouw en ik weet niet waarom, maar ik wil u Angèle noemen.’ ‘Ah, dat was de naam van mijn moeder. Mijn naam is Eliane.’ We groeten elkaar, ik draai me nog even om en zwaai.

De natuur doet me goed, en ik blijf verder lopen, vol energie. Net voor het donker wordt, stop ik bij een gîte voor speleologen.

Meloenfeest

Tien uur, de klokken luiden van de kerk van Ligugé. Zowat een vijventwintig mannen in donkerblauw-zwart gewaad wandelen per twee en na elkaar in stilte naar de kerk. Ik verlaat de kamer en trek de wijde wereld in. Rondom rond hoor ik geweer schoten. Honden die blaffen en een getoeter. Oeps, dit was me ontsnapt, de jacht. Ik blijf rustig verder stappen zonder me echt zorgen te maken. Ondertussen maak ik gebruik van FB voor een vraag in verband met het jachtseizoen. Zoveel jaren geleden kon een pelgrim dit niet voorstellen. De dorpen zijn stil, geen kat te bespeuren.

Vroeg in de namiddag zie ik plots veel wagens. Een feest, een braderie, een rommelmarkt… het meloenfeest. Ik laat me verleiden door een Mirabellen-taart. Mensen staan me met grote ogen aan te kijken. Een grote rugzak en wandelstokken zijn waarschijnlijk niet de courante outfit voor op een feest. In een zaal een tentoonstelling. Op een tafel staan prachtig gedraaide houten voorwerpen. Ernaast een briefje met een naam en tourneur amateur.

‘Pardon monsieur, c’est vous le tourneur?’ ‘Oui.’ Een tengere man, klein van gestalte, getekend door de tijd. ‘Pourquoi avez-vous marqué tourneur amateur, votre travail est d’une qualité professionnelle?’ Wat beschaamd kijkt hij me aan. Een glimlach is ergens te zien in een verborgen hoekje. Zijn vrouw dankt me. Met de geur van het hout verlaat ik de zaal. Buiten zijn kinderen aan het spelen bij een kraam om eendjes en gekleurde ballen te vangen. Ik geniet van de vreugde van de kinderen. Bij het kiezen van hun beloning valt me iets op. Het kraam is verdeeld in twee. Rechts allemaal donkere kleuren en geweren, links rozen en prinsessen. De kinderen kunnen enkel kiezen volgens geslacht. Een kinderkraam die is blijven stilstaan in de jaren stilletjes en vastgeroest in ideeën.

Een lange muur van droog hout. In de boomgaarden zie ik hier en daar geel verschijnen. Zou dit het begin zijn van de herfst die zich aankondigt? Het voelt wat bizar terwijl de krekels nog in volle glorie hun gezang laten horen. Een hert dat een elegante sprong maakt over een heg. Een vos die me met grote ogen verwonderd aankijkt en verdwijnt tussen de lage braambessenstruiken. Mijn hart voelt vreugde bij al dit moois en de kleine prins…

De wind blaast mijn haren naar achteren en streelt mijn oren. Hier en daar een druppel regen. Ik laat mijn huid ervan genieten zonder me op te sluiten in een of ander beschermkledingstuk. Met de vele stijgende trappen kom ik aan in Lusignan. Un refuge pelerin. Ik twijfel. Bel aan. De moeheid laat me in twijfel. Er vloeit iets niet. Ik loop een uur rond op zoek naar een overnachting. Tot ik het opgeef… een vrouw staat ontspannen aan haar deur. Een uitnodigende blik. Bij Isabelle en haar zoon Paul.

Poitiers

De koekoek. De ochtendzon komt de vergaderruimte verwarmen. Ik strek me uit, een nieuwe dag staat voor de deur. Nieuwe ontmoetingen, met de ander, met mezelf.

Voor de eerste keer ontmoet ik twee pelgrims. Ik wandel eventjes met hen mee en al snel wordt het me duidelijk dat onze wegen snel zullen scheiden. Het geklaag over herbergen en de vele ‘moeten’ staan in sterk contrast met mijn ervaringen en ingesteldheid op mijn weg. Nederigheid.

Kathedraal Poitiers
Jezus in Gethsémani

Tot mijn grootste verwondering zijn de voorsteden van Poitiers heel aangenaam. Het vele groen is uitnodigend. Een babbel hier, een babbel daar. Joggers, fietsers…
Ik negeer de borden van de GR en camino en wandel richting centrum. Verrassend. Een groot gebouw, de kathedraal. Een groenblauwe verweerde deur nodigt me uit om naar binnen te gaan. Ik bewonder de muurschilderingen van de Heilige Familie en Jezus in Gethsémani. Op een wand een ingekerfd labyrinth.
Verder naar het centrum valt me een veel kleinere kerk in gele steen op, met zijn kleine bogen en houten verweerde deuren. Terwijl de menigte de braderie van het eerste weekend van september afloopt, zoek ik de rust op in l’église Notre-Dame la Grande. Bij het naar binnen gaan word ik op adem gegrepen. Het is alsof ik in een moederschoot terecht ben gekomen, zo voelt het. Donker, warm en de kleuren in de kerk, het gezang van de sopraan versterken het geheel.

Eglise Notre Dame la Grande

Op een terras geniet ik van het zien van de vele mensen die voorbij komen. Een vrouw kijkt naar mijn rugzak. ‘Vous allez à Saint-Jacques?’ Dit was de eerste vraag van de vele andere. Zonder enige weerstand beantwoord ik de vragen. Een vloeiendheid en spontaniteit installeren zich tussen ons. ‘Je peux vous poser une question?’, vraag ik na een eindje terug. ‘Oui.’ ‘Vous travaillez dans une école, vous êtes instit?’ Een ja kwam en bracht bevestiging op het waarom van de vele vragen die ik mocht ontvangen. We blijven zowat bijna twee uur samen gedachten uitwisselen over het thema ‘liefde’. Ik denk dat als ik nog iets zou gaan studeren, dat ik me aan een cursus filosofie waag. In het gesprek werden me plots dingen duidelijk over wat ik de voorbije dagen met me meedroeg. Soms kan men zodanig iets willen zoeken dat men het net niet vindt. Ik kan het vergelijken met de momenten dat ik mijn bril zoek en hij gewoon op mijn neus staat. Tot ik er niet meer naar op zoek ga, en dan, eureka. Wel door het ‘willen’ los te laten, door het niet blijven vasthouden, komt het antwoord soms uit het niets. Dit is ook wat liefde voor me is geweest in het nabij zijn met anderen, ook met mezelf, willen vasthouden. Liefde kan men niet vasthouden. Vasthouden uit angst om te verliezen, angst voor het gemis dat zich zou kunnen installeren bij het verlies, om de pijn. Er komen hoge verwachtingen, verlangens…. Net door het vasthouden gaat men iets verliezen en kan pijn voelbaar zijn. Door liefde in zijn pure vorm te laten zijn, kan het voelbaar breder gedragen worden. Kan openheid aanwezig blijven voor vernieuwing, verandering en blijft de fijne energie leven doorheen wat is en komt. Liefde in relatie met al wat is.

Ik hoor mezelf zeggen: “Alle Jasmine, dat wist je toch al?” Ja, natuurlijk, alleen tussen het weten en voelen is er een groot verschil. Jaren kan men iets weten, daarom is het nog niet geïntegreerd.

Wat ik schrijf is misschien niet juist of klopt het voor de één niet, maar misschien wel voor de ander. Wat vandaag is, is juist voor me in het nu; morgen kan het misschien weer anders zijn. Ik vraag me eigenlijk af: bestaat de waarheid? Ik heb het idee van niet, ook waarheid is veranderlijk.

Ik neem afscheid van Florence en wandel nog een prachtig stukje natuur tot in Ligugé bij de monniken.

La providence

‘Bonjour, bon chemin’, roept een vrouw me toe. Wat verder stapt ze van de fiets. ‘Heureusement que il fait moins chaud’, weet ze me verder te vertellen. ‘Oh, oui, la fraîcheur du matin fait du bien’, antwoord ik terug terwijl ik de straat oversteek. ‘Vous voulez des tomates pour la route?’ ‘Oh, eh bien, je dirais pas non’. Een paar dagen terug vroeg mijn lichaam om water, om me te laten dobberen. ’s Avonds had ik een zwembad waar ik mijn lichaam kon laten drijven onder de sterrenhemel. Gisteren kwam in me op dat muziek en dans me goed zouden doen. ’s Avonds mocht ik meegenieten van zwierende muziek en dans. Daarnet kwam bij me op dat ik groenten mis op de weg… en zie. ‘La providence’ Met een doos vol verse tomaten en wat peterselie neem ik afscheid van Annick.

Regen is op komst. Naast le vieux Poitiers ligt een lange Romeinse weg. Ik voel een beklemming boven mijn borstkas. Ik maak de riemen van mijn rugzak wat losser. Mijn lichaam schreeuwt van binnen en vraagt om een luide, hoge kreet te kunnen uiten. Het lukt me niet. Een belemmering, angst. Angst om mezelf te verliezen, om gehoord te worden. En zo kom ik terug bij het gebied boven mijn keel. Een donkere, dringende lucht, een weg, twee bomen. Ik hoop dat wat aanwezig is, tijdens deze tocht leven mag krijgen. Dat mijn kracht, vertrouwen en hoop in wat is en mag zijn, me zal helpen vrijuit in liefde te mogen zijn, zonder mij te moeten afschermen.

Onder de paraplu sta ik aan het openluchtmuseum van la bataille de Poitiers. Een interessante geschiedenis over Kelten, barbaren, het geloof. Een tekst neemt me mee in het verhaal, een beschrijving in een heilig schrift waar letterlijk onder een vers geschreven staat: wie ten strijde vertrekt, zal een groter vergiffenis ontvangen en verdient een grotere plaats in de hemel.

Ik voel kwaadheid naar boven komen. Ik denk dat geen enkel mens die het hart op de juiste plaats heeft, die geweldloos door het leven is gegaan en gaat, ooit gemeld heeft te doden om de hemel te verdienen. Een mooi voorbeeld van hoe machthebbers de bevolking in hun greep hebben gehad en de bevolking manipuleren. En vandaag zijn er nog altijd die zich laten manipuleren. Goed en kwaad kan men vandaag zelf niet meer uit de geschriften halen. Het wordt tijd dat er een herziening komt. Pijn is binnenin voelbaar aanwezig. Ik hoop dat er ooit een dag zal zijn waar de mens hier nee zal kunnen en durven tegen zeggen en waar we allen schouder aan schouder zullen kunnen staan in vrede zonder angst van machthebbers, zonder dat de mens zich laat manipuleren uit angst iets te moeten verliezen.

Om de hoek in een bos. Een gegrom. ‘Mambo?’
Een vrouw volgt. Ze steekt haar hand op, een brede glimlach volgt. Soms zijn er van die contacten waar je voelt alsof je elkaar al langer kent. We blijven zo een kwartier staan babbelen over de weg. ‘Il paraît que il y a beaucoup de monde sur ‘la Frances’. C’est juste?’ ‘Oh vous savez si on donne de l’attention au point noir, on va le recevoir. Et de même si on voit le point blanc. On reçoit ce que l’on veut voir.’ ‘Oh, merci, cela vient au bon moment. Demain c’est le baptême de mon filleul.’ ‘Un jour je ferai le chemin et peut-être plus vite que je le crois,’ vertelt de vrouw me. De babbel is zo aangenaam dat het aanvoelt alsof we nog uren zouden kunnen babbelen. We nemen afscheid. ‘Comment tu t’appelles?’ vraag ik. ‘Lucie’, terwijl ze zich nog omdraait en we naar elkaar zwaaien.
Dit gesprek deed iets met me, alsof er antwoorden komen op de vragen waar ik me zo heb vastgehouden over het woord ‘liefde’. Alsof er op bepaalde plaatsen in mijn lijf openingen, doorstromingen komen. Ik laat het leven en in volle vertrouwen zal het me de komende dagen wel duidelijker worden.

Het laatste stuk van de dag brengt me over een lange weg tussen velden. Op en neer. Een weg die mijlenlang uitziet. Mijn voeten beginnen wat spanningen te voelen. In de verte een kerktoren. Dit zou wel mijn eindpunt kunnen zijn. Een weg die me doet denken aan la Meseta in Spanje op de Frances. Een stuk waar vele pelgrims een hekel aan hebben om het zogezegde eentonigheid of zou het het eerder een hekel kunnen zijn om in die eentonigheid zichzelf ten volle te ontmoeten.

De ziel

 

Eglise Madeleine in al zijn eenvoud

Aan de voet van het kasteel van Châteaudun neem ik de bijna 200 trappen, langzaam en met veel aandacht voor mijn lijf. De pittoreske straatjes, het kasteel met een toren in flamboyante gotiek, de typische huizen, la maison de la Vierge, l’église Madeleine met haar rakende eenvoud weten me te bekoren. Pas na twee uur verlaat ik deze stad.

Een auto stopt, een venster daalt. Een bejaarde man wiens buik bijna zijn stuur raakt, spreekt me aan. ‘Vous allez où? Compostelle? Vous n’allez pas dans la bonne direction!’ ‘Bonjour monsieur, je suis le chemin balisé.’ ‘Oh, Saint-Jacques est de l’autre côté. Vous allez faire trois kilomètres de plus par là’, met een wat opdringerige toon. ‘Oh, cela ne fait pas un kilomètre quand en fait plus de deux milles.’ ‘Je prends toujours la route la plus courte. J’ai arrêté à 50000 km’, vertelt hij met fierheid. ‘Monsieur, mon chemin is altijd recht en ik hoop dat het heel lang zal zijn.’ Lang heb ik gedacht dat ik zijsporen nam, niet op de juiste weg. De weg heeft me mijn gedachten hieromtrent doen herzien. Uiteindelijk heb ik het gevoel en idee altijd rechtdoor te gaan; alles heeft een reden en is verbonden.

Ik voel dat ik stilletjes aan in het ritme kom, alsof ik uit een lange winterslaap kom. En besef dat het boek ‘Als de buizerd me de weg wijst’ me heel veel energie en concentratie heeft gekost, waardoor heel mijn lijf in spanning is gekomen. Ik ben me dan ook bewust dat ik het verdere verloop niet meer alleen kan dragen en ik hulp zal nodig hebben om het einddoel te bereiken.

De natuur bij valavond brengt warme kleuren en verschillende geuren met zich mee. Boven mijn hoofd hoor ik gekraak en als ik stilsta, word ik gebombardeerd door eikeltjes. De speelse eekhoorns. Ze doen me denken aan het kattekwaad van ‘Tic en Tac’. De fauna laat zich weer zien. Twee reeën staan me aan te kijken in een moerassig gebied. Op deze momenten een beeld willen nemen, is ervoor zorgen dat ze op de vlucht gaan. Stilstaan en genieten van dit contact is de boodschap. Wat zijn ze prachtig! Niet gegrift op een externe harde schijf van mijn toestel, wel op een niet te wissen plaats. De ziel.