Bra

wp-image-829883583jpg.jpg

Du pain frais, de la confiture maison à la rhubarbe au gingembre et à la cannelle. Le petit-déjeuner. Nous parlons de religions, de croyances, d’autres cultures et de bien d’autres choses encore. Des sujets pas évidents, quand l’une est croyante et l’autre athée. Chacune avec nos propres idées, visions, et sentiments. Ensemble dans le respect mutuel de l’autre et sans vouloir changer quoi que ce soit. ‘Être’ ensemble. Il est agréable de voir que les yeux continuent de scintiller même si les façons de voir divergent. En harmonie.

Il est clair que j’aime la compagnie. Il est presque dix heures quand je quitte la maison. On s’embrasse et je pars en passant par la place de l’église d’Erezée direction Vaux-Chavanne. Il fait chaud. Je marche en alternance dans des bois et sur des chaussées. Mes pieds commencent à faire mal, à cause de la marche sur sols endurcis. Des taches rouges, qui démangent, apparaissent sur mes tibias. J’ai bu trop peu les deux derniers jours…

Mon corps se sent lourd. Au-dessus de ma tête des fils électriques est des hirondelles qui ont la bougeotte et qui s’amusent. Elles sont très nombreuses ces jouettes. Elles passent sans cesse d’un fil à l’autre.

À Manhay je trouve enfin un café. Je me réjouis à l’idée d’un bon café. Je mets mon nez au-dessus de la tasse de café et étends mes jambes. Un homme entre. Je rêve, ou est-ce bien lui? “Marc!” L’homme se retourne, en effet c’est bien Marc, nous avons un ami commun, Ronny. Ronny est l’auteur du merveilleux livre ‘Robin & Rudjard’, un conte pour adultes qui traite d’un petit garçon et d’un renard. Je vous le recommande. Après une heure mon corps se sent beaucoup mieux et pleine d’énergie je continue ma route. De l’église Saint-Jacques le mineur de Vaux-Chavanne vers l’église de Notre-Dame de l’Assomption de Bra.

Noël Fernand y est mon guide. Noël a restauré l’horloge datant du quinzième siècle se trouvant dans la tour du huitième siècle, et qui n’avait plus fonctionnée pendant cent ans. Une horloge à une aiguille. Des chiffres Romains et un mécanisme spécial. Il est fier de me montrer son travail. En face de l’église le presbytère. J’y ai installé un lit. Un peu plus tard Noël m’apporte un repas du soir et un petit-déjeuner sur un plateau. Curieuse comme je suis, je me promène dans la demeure. Une magnifique maison, avec des planchers en bois ayant des fentes d’un demi centimètre par lesquelles je vois le rez-de-chaussée. Un lavabo qui fuite. Je vais me rafraichir dans la cuisine avant de me coucher. Dans la salle à manger, à l’aide de la lumière de bougies, je lis mon journal. Les flammes des bougies donnent vie à deux figures bizarres se trouvant sur la cheminée. Ma tête tombe de temps à autre vers l’avant. Il est temps d’aller me coucher.

GPX Bestanden Amonines – Bra

Vers brood, zelfgemaakte rabarberconfituur met gember en kaneel. Het ontbijt. We hebben het over religies, geloof, andere culturen en nog zoveel meer. Geen evidente onderwerpen wanneer de ene persoon gelovig is en de ander een atheïst. Elk met onze eigen visie, ideeën, gevoelens. Met elkaar, in respect voor het ‘anders’ zijn, zonder elkaar te willen veranderen. Samen ‘zijn’. Fijn om te mogen ervaren en te zien dat ogen blijven sprankelen, ook al is de visie zo verschillend. In harmonie met elkaar.

Het is duidelijk dat ik hou van compagnie. Het is bijna tien uur wanneer ik het huis verlaat. We geven elkaar een zoen en ik vertrek via het kerkplein van Erezée richting Vaux-Chavanne. Het is warm. Afwisselend wandel ik in bossen en op harde wegen. Mijn voeten beginnen pijn te doen, het gevolg van de harde ondergrond. Rode jeukende vlekken komen te voorschijn op mijn scheenbenen. De laatste twee dagen heb ik ook te weinig gedronken. Foei! Mijn lichaam voelt zwaar. Boven mij elektriciteitsdraden en niet stilzittende zwaluwen. Het krioelt van deze plezante, speelse vogels. Voortdurend vliegen ze van de ene draad naar de andere.

In Manhay vind ik eindelijk een café. Oh, wat zal een heerlijk potje koffie me deugd doen. Ik hou mijn neus boven het welriekende goedje en strek mijn benen uit. Een man komt binnen. Hein, droom ik nu? Zie ik juist? “Marc!” De man draait zich om, inderdaad, het is Marc. Samen hebben we een gemeenschappelijke vriend, Ronny. Ronny schreef het schitterend boek ‘Robin & Rudjard’, een volwassen sprookje over een jongen en een vos. Een aanrader. Na een uur voelt mijn lichaam totaal anders en met volle energie zet ik mijn weg verder. Van de Sint-Jacobs de mindere kerk in Vaux-Chavanne naar l’église de Notre-Dame de l’Assomption de Bra. Ik krijg er een rondleiding van Noël Fernand. Noël restaureerde het vijftiende-eeuws uurwerk van de versterkte kerktoren uit de achtste eeuw, nadat het uurwerk honderd jaar niet had gewerkt. Een uurwerk met één wijzer, Romeinse cijfers en een bijzonder mechanisme. Met fierheid toont hij zijn werk.

Recht tegenover de kerk, de pastorie. Ik heb er een bed geïnstalleerd. Wat later brengt Noël me een avondmaal en ontbijt op een plateau. Nieuwsgierig als ik ben wandel ik doorheen het huis. Een prachtig gebouw met een houten plankenvloer met spleten waardoor ik het gelijkvloers zie. Een lekkende wastafel. In de keuken fris ik me wat op voor het slapengaan. Bij kaarslicht lees ik in de eetkamer in mijn dagboek. De vlammen van de kaars brengen de twee bizarre figuren aan de schouwmantel tot leven. Mijn hoofd valt af en toe met een korte beweging, tijd om te gaan slapen.

 

Braambessen-Mûres

dav

Ce matin la nature est recouverte d’un tapis blanc. Il fait frais. De la fumée blanche s’échappe des cheminées. L’odeur du bois brulé. De nombreuses toiles d’araignées sont visibles, ce sont de vrais chefs-d’œuvres. Les petites gouttes d’eau ressemblent à des perles de cristal et vu de plus près elles reflètent tout l’environnement. On dirait que la nature pratique la magie. Mon sac à dos pèse plus lourd. Aussi Marie s’est fait magicienne ce matin. Deux boites de filet de maquereaux, du thon, une salade de fruit et une pomme du jardin.

Les mûres se situent au niveau des yeux et m’attirent très fort. Oui ou non? Très tentant. J’observe l’arbuste est remarque qu’on y a pas encore touché. Je ne résiste pas. Mes yeux se ferment pendant que mes papilles gustatives s’activent. Hmm, délicieux. Merci Mère Nature.

Dix heures du matin. Pas d’activité dans les villages, comme si tout le monde dormait encore. Des capucines, feuille, tige et fleur, ma dose d’antibiotique pour aujourd’hui. Le soleil se fraye un chemin à travers les nuages. Un facteur fait sa tournée. Les duvets, d’un chardon en fin de floraison, adhérent les uns aux autres à cause de l’humidité. Les fleurs blanches du Convolvulvus forment des points de lumière dans les accotements de verdure. Dans les jardins: dahlia, phlox, anémones et glaïeuls. Le sol est rouge et me colle aux pieds.

La journée pluvieuse d’hier me donne l’impression d’avoir eu comme effet, cette nuit, d’échanger l’été contre l’automne. Les fougères ont déjà des taches rousses. Je demande le chemin à un homme dont la maison est entourée d’un petit mur. Dix minutes plus tard on fait la conversation. Dans le prochain village où j’aimerais faire halte, peu de vie à percevoir. Les nombreuses maisons de vacances font de ces villages des villages fantômes. Une des raisons pour laquelle les commerces et les écoles disparaissent. Encore deux kilomètres jusqu’à Erezée. Dans un jardin, une brouette remplie de bois d’élagage, une femme aux gants de jardinage et dans sa main droite une cisaille. Une brève rencontre. Je suis invitée à passer la nuit chez elle, si toute fois cela ne serait pas possible au presbytère. Une demi-heure plus tard je suis en face de la charmante maison de couleur ocre. Anne m’ouvre: “Bienvenue!”

GPX Bestand Bande – Amonines

Braambessen

De natuur is bedekt met een wit ochtendtapijt. Het voelt wat frisser aan. Uit de schoorstenen komt witte rook. De geur van verbrand hout. Talrijke spinnenwebben zijn zichtbaar, echte kunstwerkjes. De kleine waterdruppels zijn net kristallen parels, die de hele omgeving reflecteren. Het is net alsof de natuur aan het toveren is. Mijn rugzak weegt wat zwaarder. Ook Maria toverde deze morgen, het één na het ander kwam te voorschijn: twee dozen makreel, tonijn, gemengd fruit en een Boskoop appel uit eigen tuin.

De braambessen staan op ooghoogte in massa naar me te lonken. Zou ik of niet? Aantrekkelijk. Ik bekijk de struik en zie dat er niet van werd gesmuld. Ik kan het niet laten. Mijn ogen sluiten zich terwijl mijn smaakpapillen in actie komen. Hmm, verrukkelijk. Dank je moeder natuur.

Tien uur in de morgen. Geen beweging in de dorpen, alsof iedereen nog slaapt. Oost-Indische kers – blad, steel en bloem – mijn portie antibiotica voor de dag. De zon baant zich een weg doorheen het wolkendek. Een postbode doet zijn ronde. De pluizen van de uitgebloeide distels kleven aan elkaar van de vochtigheid. De witte bloemen van de Convolvulus brengen lichtpunten in de groene berm. In de tuinen: Dahlia, Phlox, anemonen, gladiolen. De grond is rood en kleeft aan mijn voeten.

De regendag van gisteren geeft me het gevoel dat in één nacht de zomer plaats heeft gemaakt voor de herfst. De varens vertonen al roestbruine vlekken.
Ik vraag een man naar de weg, zijn huis is omringd door een muurtje. Na tien minuten zitten we samen wat te praten. In het volgend dorp waar ik graag halte houd, is weinig leven te bespeuren. De vele vakantiehuizen maken van deze mooie plaatsen spookdorpen. Eén van de redenen waarom plaatselijke handelaars en scholen verdwijnen. Nog twee kilometer tot aan Erezée. In een tuin, een kruiwagen gevuld met snoeihout, een vrouw met tuinhandschoenen en in haar rechterhand een snoeischaar. Een korte kennismaking. Ik word uitgenodigd voor de nacht, indien het me niet zou lukken in de pastorie. Een half uur later sta ik aan een okergeel en charmant huis. Anne doet open: “Welkom!”

De Ourthe

wp-image-336322105jpg.jpg

Je me plais bien au bord de l’Ourthe. Je suis un sentier direction La Roche. Celui-ci se situe sur l’autre rive et là où passe la GR57. Les canards continuent de flotter calmement lorsque je suis à un demi-mètre d’eux.

Des obstacles m’obligent à marcher sur des rochers se trouvant dans l’eau et de quitter le sentier de terre. Beaucoup d’arbres renversés empêchent le passage, il faut alors choisir: monter et descendre où ramper. Mettre et enlever et remettre le sac à dos… il m’arrive même d’oublier que je le porte sur mon dos, mais heureusement je m’en tire avec juste un peu de peur. Des racines glissantes. Mauvaises estimations de ma longueur de jambes… Un sentier d’aventures, comme si je parcourais un quatre cent mètres haies. Le chemin exige une certaine vigilance. Je prends les obstacles un par un, sans trop de réticences et sans trop d’efforts, tout calmement, c’est presque un jeu. Après deux heures de marche j’ai à peine trois kilomètres dans les jambes. Les mûres me reluquent. Après que Véronique m’ait raconté que les renards aiment les mûres, qu’ils urinent dessus, et qu’il est aujourd’hui défendu de les cueillir pour ne pas propager des maladies, je me retiens. Deux organes atteints par un parasite m’ont suffi. Je les laisse pour ce qu’elles sont et laisse de bon cœur leurs friandises aux renards.

À un certain moment je suis obligée de traverser l’Ourthe car il n’y a plus de passage accessible. Je traverse à contrecourant et espère réussir à me tenir debout. L’eau me rentre dans les souliers. Mon pantalon ne reste pas sec. Au milieu de la rivière j’admire la beauté qui m’entoure. Une oasis de repos.

Réussi. J’ôte mes chaussures, essore mes chaussettes, sèche mes semelles. Pendant ce temps je récupère un peu et mon estomac me demande de la nourriture.

Plus loin, de retour sur la GR57, deux jeunes sur la rive, Julie et Arnaud. Julie a un raton-laveur avec elle. L’animal a atterri un jour sous leur voiture et depuis il est devenu leur compagnon. Quel animal intelligent. Ses petites pattes ressemblent à des doigts et il sait, avec beaucoup d’agilité, charmer Julie.

À Maboge j’ai des doutes sur l’hébergement. La désobligeance de la femme ainsi que le fracas me font choisir de continuer plus loin. Il est presque vingt heures et le soleil du soir est presque disparu derrière les collines. Empruntant une pente de dix-huit pourcent au trot, je me dirige vers La Roche. Je rencontre un cerf… et encore un… cela me redonne du courage. Le soleil est presque couché. Il colore encore les troncs d’arbres de différents tons rougeâtres, comme si le bois était en flammes. Le ciel se colore de teintes mauves et roses. Le soir tombe. Le silence dans le bois est autre que celui du matin. J’arrive juste avant la nuit à La Roche. Je m’endors au-dessus d’une écurie.   

GPX Bestand Engreux – Maboge

La Roche

Ik heb het best wel naar mijn zin aan de oevers van de Ourthe. Ik volg een pad richting La Roche aan de andere kant van de rivier, waar de GR57 ligt. De eenden blijven rustig drijven wanneer ik op een halve meter afstand van hen sta. Hindernissen dwingen me ertoe om van de aardeweg af te wijken en rotsen in het water te bewandelen. Veel ontwortelde bomen verhinderen de doorgang, en dan is het of klimmen en dalen, of kruipen. Rugzak af, op, af… het gebeurt zelfs dat ik vergeet dat ik hem op mijn rug draag en dan kom ik er gelukkig met de schrik vanaf. Gladde wortels. Verkeerd inschatten van mijn beenlengte… Een avontuurlijk pad, alsof ik een vierhonderd meter hordenloop doe. De weg vraagt een zekere waakzaamheid. Eén voor één neem ik de obstakels aan zonder tegenzin en zonder teveel inspanning, in alle rust, het is bijna een spel. Na twee uur stappen heb ik amper drie kilometer in de benen. Braambessen staan naar me te lonken. Nadat Veronique me wist te vertellen dat vossen graag braambessen lusten, ze erop urineren, en er daarom een verbod is gekomen ze te plukken wegens het verspreiden van ziektes, moest ik toch wel even slikken. Twee aangetaste organen door een parasiet zijn wel voldoende geweest. Ik laat de bramen voor wat ze zijn en gun de vossen deze lekkernij.

Op een gegeven moment ben ik genoodzaakt de Ourthe over te steken omdat er geen doorkomen meer aan is. Tegen de stroom in, ga ik er tegenaan in de hoop dat ik recht blijf. Het water loopt in mijn schoenen. Mijn broek blijft niet droog. Middenin de rivier sta ik te kijken naar de schoonheid rondom mij. Een oase van rust. Gelukt! Ik doe mijn schoenen uit, kousen worden uitgewrongen, zolen worden gedroogd. Ondertussen recupereer ik wat en vraagt mijn maag naar voedsel. Verderop terug op de GR57 zitten twee jongeren aan de oever, Julie en Arnaud. Julie heeft een wasbeer bij zich. Het dier was onder hun wagen terecht gekomen, sedertdien is het hun metgezel geworden. Wat een slim dier. Zijn kleine poten zijn net vingers en hij weet met een behendigheid Julie in de ban te krijgen.

In Maboge is er twijfel voor overnachting. De onvriendelijkheid van de vrouw in de gîte en de luidruchtigheid doen me beslissen om verder te stappen. Het is bijna twintig uur en de zon verdwijnt achter de heuvels. Met een klim van wel achttien procent en in draf vertrek ik richting La Roche. Een ontmoeting met een ree… en nog één… geeft me moed. De avondzon is bijna verdwenen. Ze kleurt de boomstammen in verschillende tinten rood en oranje, alsof het bos in vuur en vlam staat. De lucht krijgt paarse en roze schakeringen. Het wordt donker. De stilte in het bos voelt anders aan dan ‘s morgens. Nog net voor de zon volledig ondergaat, kom ik aan in La Roche. Boven een paardenstal val ik in slaap.

 

La Roche

Oud en nieuw-l’ancien et le nouveau

wp-image-171715821jpg.jpg

‘La Symphonie des Saveurs’, non seulement cela sonne bien, il s’y ont de délicieuses friandises. Brigitte, la propriétaire vient s’asseoir prês de moi pendant que je bois un café. Sujet de conversation: femmes, être mère, être enfant. Détendue.

Il est déjà midi quand je quitte Houffalize. Je marche le long d’un centre de vacances, entrant et sortant des bois. Sur un chemin de terre entre bois et champs j’entends une buse. Je m’arrête un instant et regarde autour de moi. Haut dans le ciel j’aperçois l’oiseau. Je regarde sur mon gps. Quelque chose n’est pas juste, j’ai pris une mauvaise direction. Je fais demi-tour et cherche un raccourci. Je rentre de nouveau dans Houffalize. Je cherche mon pédomètre pour savoir l’heure qu’il est, et constate qu’il a disparu. Allez, de retour sur mes pas en espérant le retrouver. Exactement huit-cent mètres plus loin le pédomètre est à mes pieds. Pour la troisième fois je rentre dans Houffalize. J’espère que cette fois c’est la dernière. Ceci est le résultat, lorsque je ne suis pas mon intuition je me trompe de direction, je cherche un raccourci pour quand même devoir retourner….un bel exemple pour comprendre que le ‘temps’ ne se laisse pas manipuler. Heureusement que la buse m’ en a  fait prendre conscience.

De chaque côté du chemin, de la bruyère. Des papillons font des va-et-vient. Sur le sol de gros cailloux. Je profite amplement de la marche et de cette façon de voyager. Parcourir le chemin. Cela me parait l’évidence même. Fondre avec la nature, suivre le courant de la vie (si tu ne te trompe pas de chemin, et même cela en fait partie). Mon corps se rempli d’une sensation subtile, fine et profonde. Amour et vie coulent dans toutes mes veines. Cela m’apporte une certaine confirmation, quelque chose qui s’installe jusqu’à dans mes plus petits vaisseaux. Le tout me parait juste. Très vite ma pensée vient mettre des bâtons dans les roues. ‘que vais-je faire de mon logement, des gens que j’aime, de mes affaires…’ idées qui me passe par la tête. Juste à cet instant, je suis confrontée avec le matérialisme dans la nature. Des déchets laissés pour compte, du papier, des emballages qui réfèrent au monde digital, un viaduc sur lequel les autos défilent à toute vitesse. Le contraste est grand. Je laisse tomber tous cela.Le futur me montrera bien le chemin à suivre. Avoir confiance en la vie!

Je suis invitée demain chez des amis, pour une fête. J’ai bien envie d’y aller, la situation ne le permet pourtant pas. La distance pour y parvenir est trop grande. Je me demande si cela à un rapport avec le fait que déjà toute la journée, les choses ne tournent pas rond. Qu’est-ce qui ce passe? J’y vais où j’y vais pas! Doute. Une certaine détermination s’installe  et me fait comprendre que terminer ce que j’ai entrepris est prioritaire. L’envie ne va pas s’enfuir et quand le moment sera venu, tout coulera de source. De la peine et de la joie se font ressentir. De la peine pour ce que je laisse derrière moi et de la joie pour la nouveauté que j’accueille.

Autour de moi un concert d’oiseaux. Des larmes coulent. Lâcher les choses fait partie du renouvellement. Approximativement trente degrés. Un chemin qui monte. Des roches. Des criquets. L’odeur de l’herbe sèche. Mon sac pèse. Je traine mon corps en avant. Je pose très consciemment chaque pied par terre. Le mot croisade me vient à l’esprit. Un cycliste arrive à toute vitesse sans s’annoncer. Je sursaute et crie ‘non de… les sonnettes de vélos ne sont pas faites pour les chiens’ oeps, cela me ramène à l’instant présent.

À Bonnerue je fais un détour par le chêne de quatre-cents ans. La GR57, qui n’est pas à sous-estimer, se termine pour aujourd’hui à Nisramont sur Ourthe, en une charmante compagnie qui m’offre spontanément un lit pour la nuit. Un martin-pêcheur. Un héron blanc. Des orages au loin. Une goutte par ci, par là. Avant de me coucher je me baigne dans l’Ourthe. La foudre éclaire les rives .

GPX Bestanden Engreux – Maboge

Oud en nieuw

‘La Symphony des Saveurs’, dat klinkt niet enkel goed in de oren, ze hebben er ook heerlijke lekkernijen. Brigitte, de eigenares, zet zich erbij terwijl ik een koffie drink. Onderwerp: vrouwen, moeder zijn en kind zijn. Ontspannen. Pas op de middag verlaat ik Houffalize. Ik wandel langs een vakantiecentrum. Bos in, bos uit. Op een aardeweg tussen veld en bos hoor ik een buizerd. Ik sta even stil en kijk om me heen. Hoog in de lucht zie ik de vogel. Ik kijk op mijn gps. Er klopt iets niet en ik zie dat ik de verkeerde kant opwandel. Ik zoek een kortere weg en stap terug tot Houffalize. Zoekend naar mijn pedometer om het uur te weten, kom ik tot de constatatie dat hij er niet meer is. Allé, dan maar weer terug op mijn passen, op goede hoop. Op exact achthonderd meter ligt de pedometer voor mijn voeten. Voor de derde maal wandel ik Houffalize in. Hopelijk nu wel de laatste keer. Het gevolg van mijn buikgevoel niet te hebben gevolgd: verkeerd wandelen, een kortere weg zoeken om die dan toch terug te moeten… Een mooi voorbeeld van hoe je ‘tijd’ niet kan manipuleren. Gelukkig bracht de buizerd me tot bewustzijn.

Aan beide zijden van de weg heide. Vlinders fladderen heen en weer. Op de weg grote keien. Ik geniet van het wandelen en van deze manier van reizen. De weg bewandelen. Het voelt als een vanzelfsprekendheid. Eén worden met de natuur, de flow van het leven volgen (als je niet verkeerd loopt en zelfs dat hoort erbij). Mijn lichaam wordt gevuld met een subtiele, fijne, diepe gewaarwording. Liefde, leven stroomt door mijn hele lichaam. Het brengt een zekere bevestiging met zich mee, die zich voelbaar installeert tot in de kleinste adertjes. Het voelt juist. Heel snel komt mijn denken roet in het eten gooien. ‘Wat met mijn woonst, met de mensen die ik liefheb, met mijn spullen…’, gaat door mijn hoofd. Net op dat moment word ik geconfronteerd met materie in de natuur. Achtergelaten afval, papier, verpakkingen die verwijzen naar de digitale wereld, een viaduct waar auto’s over zoeven. Het contrast is groot. Ik laat los, voor wat het is. De toekomst zal me hier verder wel wegwijs in brengen. Vertrouwen in het leven!

Morgen ben ik uitgenodigd bij vrienden voor een feest. Ik heb een verlangen om te gaan, de situatie nu laat het echter niet toe. De afstand is te ver om er te geraken. Heeft dit nu te maken met het feit dat de hele dag mijn weg niet vlot verliep, stel ik mezelf de vraag. Wat gebeurt er? Ga ik of niet? Twijfel. Een vastberadenheid vertelt me dat wat ik nu bezig ben eerst afgewerkt moet worden. Het verlangen zal niet weglopen en als de tijd er rijp voor is, zal alles wel vloeien. Verdriet en vreugde zijn voelbaar. Verdriet om het achterlaten en terzelfdertijd vreugde voor het nieuwe dat voor de deur staat. Rondom mij een concert van vogels. Tranen vloeien. Lossen is vernieuwing.

Ongeveer dertig graden. Een stijgende weg. Rotsen. Krekels. De geur van gedroogd gras. Mijn rugzak weegt. Ik sleep mijn lichaam voort. Iedere stap zet ik bewust. Het woord kruistocht komt in me op. Een fietser zoeft razendsnel voorbij, onaangekondigd. Ik schrik en floep eruit: “Non de… les sonnettes de vélos!” Oeps! Dit brengt me terug in het hier en nu. In Bonnerue maak ik een ommetje naar een vierhonderdjarige eik. De niet te onderschatten GR57 eindigt vandaag in Nisramont aan de Ourthe, in gezellige compagnie die me spontaan een bed aanbiedt. Een ijsvogel. Een witte reiger. Onweders in de verte. Een druppel hier, één daar. Voor het slapengaan neem ik nog een bad in de Ourthe. De bliksem verlicht de oever.

 

Agressie-Agressivité

wp-image-1726842949jpg.jpg

Le petit séminaire se prépare pour la nouvelle année scolaire. Des élèves et des professeurs y repeignent les murs des locaux. Dans le réfectoire, je bois un café en leur compagnie et celle de Sylvie.

Empruntant le RAVel je quitte Bastogne. En alternance, et selon la position du soleil par rapport au arbres et buissons, j’emprunte la GR15. L’ombre. Dans chaque village je remplis ma bouteille d’eau. Mes pieds sont gonflés. Mes jambes sont rougies par le soleil et la chaleur du sol. De temps à autre le vent souffle sous mon chapeau, cela me procure un agréable rafraichissement. Le long des champs en plein soleil. Bien des bois ont disparu à travers le temps pour faire place à des champs de blé.

À quatre kilomètres d’Houffalize un petit village, Boeur. Prês de l’église, sur le mur entourant un monument, je trouve enfin une place pour m’asseoir à l’ombre. Deux grands chiens, courent librement tout en aboyant et en se dirigeant vers moi. Un homme marmonne quelque chose en Néerlandais. Je me retourne et lui demande s’ils ne vont rien me faire. “Non, tu peux en être sure.” Je lui raconte mes incidents avec des chiens et lui signale que je ne fais pas toujours confiance aux animaux. Les chiens continuent à se rapprocher tout en aboyant. Je demande s’il serait possible de les rappeler. L’homme réagit d’une façon agressive, d’abord en français puis dans le flamand de la Flandre Occidentale. Je sens que je ne veux pas continuer la communication. Je lui souhaite une bonne journée et lui tourne le dos. J’essaie de fixer mon attention sur les jolies inscriptions tombales aux alentours de l’église. Les chiens se calment. Des mots bruts et rancuneux sont déversé dans mon dos. Je vous épargne les détails. Je sens mon cœur battre à tout casser et disparais derrière le coin. Je pense: ‘Et bien, la souffrance doit être grande.’ Le calme est de retour et je reprends place sur le mur. Ce n’est pas encore terminé pour l’homme. Il vient me défier. J’adresse la parole à un homme âgé qui vient me rejoindre. Le plus jeune disparait sur l’arrière-plan. Les chiens se calment à nouveau. Nous parlons un moment ensemble. L’homme âgé me raconte qu’un divorce lui joue des tours. Bien que j’entende l’homme raconter son histoire bruyamment à son voisin, je réussis à retrouver mon calme. Enfin mon corps peut se reposer et reprendre des forces pour affronter les derniers kilomètres. Un des chiens vient s’installer à un mètre de moi. Il est clair que les chiens ont des antennes sensibles. Sortie du village je sens le besoin de crier pour libérer ce que je ressens. Ce n’est pas tellement le contenue qui m’a fait mal mais plutôt la manière. Une façon de faire que je reconnais, un abus de pouvoir envers les femmes. Une larme coule le long de ma joue. Une douleur déchirante est présente. Pour la première fois je me rends compte que je n’ai pas ressenti de colère. Un peu plus loin des ailes de buse abimées. En prenant conscience la charge à disparue. Reconnaissante.

Une descente de quatorze pourcent, vingt-trois kilomètres dans les jambes, quatre litres d’eau dans mon corps et plus sage, j’atteins enfin Houffalize.

GPX Bestanden Bourcy – Engreux

Agressie

Het kleine seminarie bereidt zich voor op de komst van een nieuw schooljaar. Leerlingen en leerkrachten zijn er momenteel lokalen aan het schilderen. Samen met hen en Sylvie drinken we in de refter een koffie.

Via de RAVel verlaat ik Bastogne. Afwisselend neem ik de GR15, afhankelijk van waar de zon staat ten opzichte van de struiken en bomen. Schaduw. In ieder dorp laat ik mijn drinkfles vullen. Mijn voeten zijn gezwollen. Mijn benen zien rood van de zon en de warmte van de grond. De wind, die zorgt voor een deugddoende verfrissing, komt af en toe onder mijn hoed blazen. Langs velden in de blakende zon. Vele bossen zijn hier door de tijd verdwenen en hebben plaats gemaakt voor graangewassen. Op vier kilometer van Houffalize, het dorpje Bœur. Eindelijk een plaats waar ik kan zitten in de schaduw op een muurtje van een monument naast de kerk. Twee grote honden lopen al blaffend vrij mijn richting uit. Een man mompelt iets in het Nederlands. Ik draai me om en vraag of ze niets zullen doen. “Non, tu peux en être sure.” Ik deel mijn ervaring met honden en zeg erbij dat ik dieren niet altijd vertrouw. De honden komen dichterbij en blijven blaffen, waarbij ik vraag of het mogelijk zou zijn om de honden terug te roepen. De man reageert op een agressieve manier, eerst in het Frans, nadien in het West-Vlaams. Ik voel dat ik niet verder in communicatie wens te gaan. Ik wens de man een fijne dag verder en draai me om. Ik probeer mijn aandacht te verleggen naar de mooie inscripties op de grafzerken rond de kerk. De honden worden rustig. Ik krijg een brutale waterval van haatdragende woorden over me heen. De details laat ik in het midden. Ik voel mijn hart tekeer gaan en verdwijn om de hoek. In mijn gedachten komt op: ‘Amai, de pijn moet groot zijn.’ De rust keert terug en ik neem opnieuw plaats op het muurtje. Het is nog niet over voor de man, hij komt me uitdagen. Ik spreek een oudere man aan die naar me toekomt. De andere verdwijnt op de achtergrond. De honden worden rustig. We praten even met elkaar. De oudere man vertelt me dat een scheiding hem parten speelt. Hoewel ik de man met de honden luidruchtig zijn verhaal hoor vertellen tegen een buurman kan ik bij mezelf blijven en de rust terug vinden. Eindelijk kan mijn lichaam uitrusten en terug op energie komen voor de laatste kilometers. Eén van de honden komt op een meter voor me zitten. Het is duidelijk dat de honden fijngevoelige antennes hebben.

Uit het dorp wandelend voel ik de zin opkomen om te gaan schreeuwen, om wat ik voel te bevrijden. Het is niet zozeer de inhoud die me pijn heeft gedaan, wel de manier waarop. Een manier die herkenbaar is, machtsmisbruik tegenover vrouwen. Een traan rolt over mijn wang. Een hartverscheurende pijn is voelbaar. Voor de eerste keer ben ik me ervan bewust dat ik geen kwaadheid heb gevoeld. Wat verder, gebroken vleugels van een buizerd. Door de bewustwording is de lading verdwenen. Dankbaar. Met een daling van veertien procent, drieëntwintig kilometer in de benen en vier liter water in mijn lichaam kom ik uiteindelijk aan in Houffalize. Wijzer.

GPX Bestanden Bourcy – Engreux

Gilles

wp-image-1043631376jpg.jpg

“Je vous souhaite un bon voyage à l’intérieur de vous-mêmes et une belle nouvelle rencontre”, c’est ce que je souhaite à Daniel et Véronique. On s’embrasse. À Martelange, juste à la frontière Belgique-Luxembourg il y a au moins six stations d’essence, l’une après l’autre. Une odeur désagréable et malsaine me coupe le souffle. Heureusement que la GR15 me guide assez rapidement vers les bois qui longent une partie de la ‘Smokkelarij route’- route de la contrebande. En 1843, lorsque les premiers douaniers ont fait leur apparition à Martelange on a essayé de mettre fin à la contrebande. À ce moment-là on les appelait ‘gabeleurs’ – receveur des taxes sur le sel. Avant la guerre il y avait la lutte contre le braconnage. Après 14-18 il y a eu plus de contrebandiers, car les habitants étaient confrontés au manque de pommes de terre, de bougies, de graisses et huiles pour lampe.

Sous mes pieds, de l’ardoise. Le sentier monte assez bien. De temps à autre un banc pour se reposer et pour admirer le magnifique paysage. La nature m’émotionne. De temps en temps de la déforestation, des arbres de vingt à trente mètres de long étendus et posés les uns sur les autres. Pas loin de Tintange, un manège. Dans l’étable le cheval au nom de ‘Rolex’ me regarde. Je pose mes bâtons de marche contre le mur. Je peux me voir dans ses grands yeux. Je me tourne un instant et le coquin s’empare presque de ma plume de buse. “Pas question filou, elle est à moi”, lui dis-je. En face de Rolex se trouve Hazard. L’heure et le hasard face à face. Je continue la montée. À chaque pas j’entends ma rotule craquer.

Je vois bouger quelque chose et j’entends le craquage des branches. Mes bâtons de marche sous les bras et mon appareil photo en main je me déplace lentement et doucement. De quel animal pourrait-il s’agir. Mon cœur bat plus fort, excitant. Jusqu’à l’instant où je suis assez près pour voir que ce sont des vaches. Je ne m’attendais pas du tout à cela, surtout qu’il n’y a pas de prairie. L’idée de passer la nuit dans la nature n’est soudainement plus à l’ordre. Sur le sentier je dois faire très attention, de grandes bouses verdâtres rendent le sentier dangereux. Aussi glissant qu’une peau de banane. Heureusement je m’en tire bien l’odeur mis à part.

Un homme vient à ma rencontre. Petit, mince, une chevelure blonde et frisée. Il tient son sac à dos sur son ventre, un petit morceau de son maillot de bain est visible. Un torse nu. On se croise. “Bonjour”, me dit une voix douce et fragile. “Bonjour!” Avant que j’aie le temps de me retourner, l’homme a disparu.

Ma journée se termine à Villers-la-Bonne-Eau. La première maison une maman et ses deux enfants. Un non. La deuxième une jeune femme. Un non. La troisième maison, Joëlle et Albert. Un oui. Ma chambre à coucher, une nouvelle maison de jardin. Un peu plus loin je vais à la recherche de seaux d’eau pour me laver. Marthe, une femme âgée de quatre-vingt-deux ans me propose une douche Une gentille dame avec un beau regard et des yeux bleus. Joëlle m’invite pour un spaghetti sur la terrasse. Gilles, le fils, vient se joindre à nous, un garçon joyeux. Un garçon capable de désarmer n’importe qui avec sa pureté. On s’entend bien tous les deux, surtout quand il s’agit de Kinder Surprise. Les spaghettis sont délicieux, je ne peux refuser une seconde assiette. Nelly se joint à nous, la grand-mère de Gilles. Au-dessus de nous un ciel ouvert et de temps à autre une étoile filante. Des histoires et des éclats de rire remplissent la soirée. Plus tard j’apprends que toutes les maisons où je m’étais adressée, hébergent des membres de leur famille. Le village compte 69 habitants.

GPX Bestanden Martelange – Villers-la-bonne-Eaux

Gilles

“Je vous souhaite un bon voyage à l’intérieur de vous-mêmes et une belle nouvelle rencontre”, dat wens ik aan Daniël en Veronique. We geven elkaar een zoen. In Martelange, net aan de grens België-Luxemburg, zijn er wel zes tankstations, de één na de ander. Een onaangename en ongezonde geur pakt me op de adem. Gelukkig neemt de GR15 me al snel mee in de bossen en volgt een deel van de ‘Smokkelarij route’. In 1843, wanneer de eerste douaniers hun intrede deden in Martelange, probeerde men een einde te maken aan de smokkelarij. Toen werden ze ‘gabeleurs’ – ontvangers van zoutbelasting – genoemd. Voor de oorlog was het bestrijding van stroperij. Na 14-18 kwamen meer smokkelaars, toen de inwoners geconfronteerd werden met schaarste van aardappelen, kaarsen, vet en lampolie.

Ik wandel op leisteen. Het pad stijgt behoorlijk. Af en toe een bank om uit te rusten en om de prachtige vergezichten te bewonderen. De natuur weet me te ontroeren. Af en toe is er bosontginning en liggen er bomen van wel twintig à dertig meter lang, de één op de ander. Niet ver van Tintange, een paardenmanège. In een stal staat het paard ‘Rolex’ me aan te staren. Mijn wandelstokken zet ik tegen de muur. In zijn grote ogen kan ik mezelf zien staan. Even draai ik me om en de grote deugniet heeft bijna mijn buizerdveer te pakken. “Pas question filou, elle est à moi”, vertel ik hem. Recht tegenover Rolex staat Hazard. Tijd en toeval recht tegenover elkaar. Het klimmen gaat verder. Bij iedere stap is het gekraak van mijn knieschijf hoorbaar. Ik zie iets bewegen en ik hoor de takken kraken. Met mijn wandelstokken onder de arm en camera in de hand stap ik langzaam en zachtjes vooruit. Welk dier zou daar zijn? Mijn hart gaat tekeer, spannend. Tot ik dichter kom en zie dat het koeien zijn. Dat had ik in de verste verte niet verwacht, vooral omdat er geen weiden zijn. Daar verdwijnt het idee van in de wilde natuur te overnachten. Op het pad is het oppassen geblazen, grote mosgroene vlaaien maken het pad onveilig. Even glibberig als een bananenschil. Gelukkig kom ik er enkel met de onaangename geur vanaf. Een man komt me tegemoet gewandeld. Klein, tenger, een krullende blonde haardos. Hij houdt zijn rugzakje voor zijn middel, een klein stukje van zijn zwembroek is zichtbaar. Een naakt bovenlichaam. We kruisen elkaar. “Bonjour”, hoor ik met een broze, zachte stem. “Bonjour!” Voor ik het goed besef en me omdraai is de man verdwenen.

In Villers-la-Bonne-Eau stopt mijn dag. Het eerste huis, een mama en twee kleine kinderen. Negatief. Het tweede huis, een jonge dame. Negatief. Het derde huis, Joëlle en Albert. Yes! Het nieuwe tuinhuis wordt mijn slaapkamer. Ik ga op zoek naar emmers water om me te wassen. Marthe, een vrouw van tweeëntachtig stelt me een douche voor. Een lieve dame met een open blik en blauwe ogen. Joëlle nodigt me uit voor een spaghetti op het terras. Gilles komt erbij zitten. De zoon van Joëlle, een vreugdevolle kerel. Een jongen die gelijk wie zou kunnen ontwapenen, gewoon door zijn puurheid. We vinden elkaar, vooral met de Kinder Surprise. De spaghetti is overheerlijk, een tweede bord kan ik niet weigeren. Nelly komt erbij, Gilles zijn grootmoeder. Boven ons hoofd een open hemel en af en toe een fel witte vallende ster. De verhalen en lachbuien vullen de avond. Nadien hoor ik dat al de mensen van de huizen waar ik heb aangebeld familie van elkaar zijn. Het dorp telt 69 personen.

Le Noble Silence/Nobele stilte

wp-image-1985994360jpg.jpg

En faisant signe de la main je quitte la maison de Françoise et Antoine. Je repars vers l’église de Saint-Donat. Les sauveurs (personnes qui viennent en aide aux pompiers quand ceux-ci ne parviennent pas à atteindre un certain endroit) font des exercices. Sur le sol de nombreux mètres de corde, des mousquetons, des câbles…

Direction Houffalize par la GR15, jouant avec la frontière Belgique-Luxembourg. Je demande au facteur quelle route suivre pour quitter la ville. “Tout droit, au feu à droite, au rondpoint à gauche et puis…” Un peu plus loin un homme crie: “Vous y allez ou vous revenez?” Je me retourne, “Oh, j’y vais, j’en viens, j’en viens, j’y vais. Une continuité. Le chemin ne s’arrête jamais monsieur.” Je lève la main et lui fait signe. Je traverse plusieurs villages. Beaucoup de grandes fermes sont restaurées.

Dans le bois règne un silence immense. Le ‘Noble Silence’ continue. Il n’y a pas âme qui vive. Une plaine ouverte. Le soleil est haut, la chaleur de la terre reflète sur ma peau. Un champ de fougères. Je ferme les yeux et fais le silence en moi. Je sens mes pores s’ouvrir, une piqure sur mon mollet me démange, les bretelles de mon sac à dos frottent sur ma peau. Le bruit des criquets. Les muriers et les différents conifères répandent une agréable odeur douce. Un souvenir. Le sud de la France, la France dans mon propre pays. Au loin, derrière moi l’église Saint-Martin de Arlon est encore visible. Une église identique se trouve à Ostende. Les deux furent construites sur ordre du roi Léopold II et évoquent les deux points extrêmes du pays. Un lièvre saute dans ma direction. Je reste sur place, jusqu’à ce que le lièvre me remarque. Avec son petit derrière pelucheux il saute en l’air, fait un quart de tour et disparait à toute vitesse dans le bois. Il y a aussi une martre. Encore une heure de marche pour atteindre Martelange.

Enfin un premier établissement où on peut boire. Il est six heures moins le quart, le soleil commence à se coucher. Deux voitures. Un grand parking. À la fenêtre la pancarte ‘ouvert’.

Ouf! Je vois déjà un grand verre frais devant mes yeux… à l’intérieur des chaises noires brillantes. Une femme moitié-nue. Un homme au comptoir. À l’étage j’entends le plancher craquer. Ce n’est pas un café, pas une brasserie… un bar. Je sors mon journal. Une femme à moitié nue me sert calmement un verre de jus de fruit. Sa peau à l’air jeune, ses gestes sont doux. Pas banal un pèlerin qui écrit son journal dans un salon de prostitution. Mes jambes et mon corps sont contents de se reposer un peu.

À Martelange je passe devant une maison dont la porte d’entrée est ouverte. Le bruit de la vaisselle. Je fais un pas en arrière et suis mon intuition. Une question, y a-t-il encore un couvent dans les environs où je pourrais passer la nuit. Une invitation spontanée s’en suit. Je reste en compagnie de Véronique et Daniel dans la cuisine jusqu’à minuit. La conversation est intense et intéressante. Merci de votre franchise.

GPX Bestanden Arlon – Martelange

Nobele Stilte

Al zwaaiend verlaat ik het huis van Françoise en Antoine. Terug naar de kerk van Saint-Donat. Les sauveurs, de mannen die in noodsituatie de brandweer bijstaan op plaatsen waar de brandweer niet bij kan, zijn aan het oefenen. Op de grond, meters touwen, karabijnhaken, kabels…

Via de GR15 richting Houffalize, spelend met de grens België-Luxemburg. Aan een postbode vraag ik de weg om de stad te verlaten. “Rechtdoor, aan de lichten rechts, rondpunt links, et puis…” Verderop roept een man: “Vous y allez ou vous revenez?” Ik draai me om, “Oh, j’y vais, j’en viens, j’en viens, j’y vais. Une continuité. Le chemin ne s’arrête jamais, monsieur.” Ik steek mijn hand op en zwaai. Ik kruis een paar dorpen. Veel grote gerestaureerde hoeves.

In het bos heerst en immense stilte. Le ‘Noble Silence’ continue. Geen mens te zien. Een open vlakte. De zon staat hoog, de warmte van de aarde straalt op mijn huid. Een veld van varens. Ik sluit mijn ogen en maak het stil in mij. Ik voel mijn poriën die zich openen, een beet op mijn kuit jeukt, mijn rugzakriemen schuren langs mijn huid. Het geluid van krekels. De braambesstruiken en de naaldbomen verspreiden een aangename zoete geur. Een herinnering. Zuid-Frankrijk, Frankrijk in eigen land. Achter mij in de verte is de kerk van Saint-Martin in Arlon nog zichtbaar. Een identieke kerk staat in Oostende. Beiden werden gebouwd in opdracht van Koning Leopold II en verwijzen naar de twee uitersten in ons land. Een haas huppelt in mijn richting. Ik bevries, tot de haas me plots ziet. Met zijn pluizig kontje omhoog, springt hij een kwartdraai in de lucht en verdwijnt met snelheid het bos in. Ook een marter is van de partij. Nog ongeveer een uur te wandelen naar Martelange. Eindelijk een eerste drankgelegenheid. Het is kwart over zes, de zon gaat stilletjes onder. Twee wagens. Een grote parking. Aan een venster hangt ‘ouvert’. Oef! Ik zie al een groot fris glas voor me staan. Binnen blinkende zwarte stoelen. Een vrouw halfnaakt. Een man aan de toonbank. Boven hoor ik de vloer kraken. Geen café, geen brasserie… een bar. Ik haal mijn dagboek boven. De halfnaakte vrouw serveert me in alle rust een glas fruitsap. Haar huid ziet er jong uit, haar gebaren zijn zacht. Niet alledaags: een pelgrim die haar verhaal schrijft in een huis van plezier. Mijn benen en mijn lichaam zijn blij even te mogen uitrusten.

In Martelange kom ik langs een huis waar de voordeur open staat. Het geluid van de afwas. Ik neem één stap terug in achterwaartse richting en volg mijn gevoel. Ik vraag of er nog een klooster in de buurt is voor een overnachting. Een spontane uitnodiging volgt. Tot middernacht zit ik met Veronique en Daniël in de keuken, intense en rijke gesprekken. Bedankt voor jullie openheid.

 

 

Klavertje vier/Trèfles à quatre feuilles

wp-image-1324149651jpg.jpg

Après la forte pluie d’hier et quelques préparations, c’est seulement aujourd’hui que je reprends le train vers Messancy. Une charmante accompagnatrice de train me fait savoir, à hauteur de Namur, qu’il est préférable de descendre à Libramont pour éviter la longue attente du prochain train à Arlon.

Messancy. Avec quarante jours d’intervalle – et pourtant c’est comme si c’était hier – je continue mon parcours. Que représente le temps lorsqu’on peut ressentir ces choses? Une chose qui a changé durant cette période, c’est la nature. D’autres fleurs qui fleurissent, les champs de blé sont fauchés, le maïs a pris de la hauteur… des dahlias, tournesols.

À mes pieds d’innombrables trèfles. Ils me ramènent dans le temps, me rappellent la méditation de la semaine dernière, assise sur un banc avec plein de trèfles aux alentours. Une compagne de classe passe devant moi. Elle regarde le sol. Fait un pas en arrière. Se penche vers le sol, tend la main. Elle sourit. Dans sa main un trèfle à quatre feuilles.

À cet instant j’ai pensé à tous ces gens autour de moi qui cherchent le bonheur, le bonheur rempli d’espoir pour l’avenir.

Des espérances qui peuvent mener bien des gens vers l’isolement, la solitude, la douleur, la peine…, on peut chercher le bonheur pendant des heures, des mois, des années, bien souvent avec beaucoup de gaspillage d’énergie. Passer à coté de la joie du moment, à l’endroit où on est, où on se trouve. Le bonheur est si proche… ne cherchez pas trop loin… il est à portée de mains, dans chacun d’entre nous. Et ce bonheur-là est divisible à l’infini et vous donne tellement de joie.

Cet instant, là-bas sur ce banc…tout simplement ‘Être’ m’a permis de voir son bonheur. Une petite plante verte nous a procuré la sensation de bonheur, de joie et elle nous a relié l’une à l’autre.

Un garçon en bicyclette descend le pont à toute vitesse. Il freine de toutes ses forces. “Bonjour madame. Vous savez où il y a un Pokéstop?” “Non, mon garçon.” “Bonne journée, madame”, et il continue sa route avec enthousiasme. Surprise je regarde autour de moi tout en haussant les sourcils. La manie Pokémon.

Arlon. Quelqu’un me dirige vers Saint-Donat, une église, datant de l’ère Celtique, où habite l’abbé Hanzen, qui pourra peut-être m’aider à trouver un logement pour cette nuit. Il n’y a personne. Saint-Donat est le point culminant d’Arlon. J’y assiste à un resplendissent coucher de soleil sur toute la vallée. La vue s’étend à l’infini. Antoine continue de m’aider dans ma recherche et me guide à travers une partie de la ville. Cet homme dégage un calme énorme.

Finalement je termine la soirée chez lui. En compagnie de sa femme Françoise, nous passons une agréable et joyeuse soirée. Encore un cours de photographie intensif pour apprendre à Antoine à mettre deux personnes en image dans une petite pièce.

GPX Bestanden Chatillon – Arlon

Klavertje vier

Na de hevige regen van gisteren en nog wat voorbereidingen, vertrek ik pas vandaag met de trein terug naar Messancy. Een lieve treinbegeleidster in Namen weet me te vertellen dat ik het best in Libramont uitstap wegens langdurig wachten in Arlon voor de volgende trein.

Messancy. Met veertig dagen ertussen – en toch voelt het aan alsof het gisteren was – stap ik verder. Wat betekent tijd wanneer je dit mag beleven en voelen? Wat wel in tijd veranderd is, is de natuur. Andere bloeiende bloemen, afgemaaide graanvelden, hoge maïs… Dahlia, zonnebloemen. Aan mijn voeten ontelbare klavertjes. Ze brengen me eventjes terug in de tijd, toen ik vorige week op een bank zat te mediteren met aan mijn voeten talrijke klavertjes. Een medestudente wandelde me toen voorbij, keek naar beneden, nam een stap terug, boog voorover en stak haar hand uit. Ze glimlachte. In haar hand een klavertje vier. Ik dacht toen aan de vele mensen rondom mij op zoek naar het geluk, geluk gevuld met verwachtingen voor de toekomst. Verwachtingen die mensen in isolatie kunnen brengen, eenzaamheid, verdriet, pijn… Uren, maanden, jaren kan je hier naar op zoek gaan. Vaak veel verloren energie… Het geluk van het moment voorbijlopen, daar waar je bent, waar je staat. Het geluk is zo dichtbij… je hoeft het niet ver te zoeken… het is in elk van ons… en dit geluk is zo oneindig deelbaar. Je ontvangt er zoveel vreugde van. Dat moment, daar toen aan het bankje. Gewoon door te ‘Zijn’, had ik het geluk haar geluk te mogen zien. Een klein groen plantje dat ons het gevoel van geluk en vreugde in verbinding bracht.

Een jongen op de fiets rent de brug naar beneden. Slaat zijn remmen toe. “Bonjour madame. Vous savez où il y a un Pokéstop?” “Non, mon garçon.” “Bonne journée, madame”, en hij rijdt enthousiast verder. Verbaasd kijk ik rond mij, mijn wenkbrauwen rollen naar boven tot mijn eurocent valt. De Pokémonrage. Arlon (Aarlen). Iemand verwijst me naar Saint-Donat, een kerk uit de Keltische tijd, waar l’Abbé Hanzen woont, die misschien kan helpen met een overnachting. Niemand thuis. Saint-Donat is het hoogste punt van Arlon. Een prachtige avondzon is te zien over de hele vallei. Het zicht reikt oneindig ver. Antoine helpt me verder zoeken en gidst me persoonlijk door een deel van de stad. De man straalt een enorme rust uit.

Uiteindelijk eindig ik de avond bij hem thuis. Samen met zijn vrouw Françoise hebben we een fijne, vreugdevolle avond. Nog even een spoedcursus fotografie om uit te leggen aan Antoine hoe je in een kleine plaats twee mensen op het beeld kan krijgen.

   

 

 

De punker

 

Jasmine Debels (1 van 1)

De Sint-Jacobskerk Gent. Zeventien uur, de eerste stoelen worden ingenomen voor de misviering in het Gentsch. Een maximum aan stoelen wordt bijgezet. Als vrijwilliger van de Jakobus cultuurkerk draag ik tijdens de Gentse Feesten het kostuum van de ‘Garde suisse’ of de kerkbaljuw. Dat is de persoon die vroeger met zijn staf op de grond tikte wanneer mensen moesten opstaan tijdens een viering. Volgens verhalen die ik hier hoor kon hij ook met de punt van zijn staf in de zij van iemand prikken als er werd gebabbeld… Gelukkig is dat een taak die ik niet op mij neem. Ik maak gebruik van een oude gordijnroede die ik ergens gevonden heb in een verborgen hoekje van de sacristie. Er hangt een zwart zakje aan te bengelen, dat ik laat vullen met vrijwillige bijdragen tijdens de concerten, om het mogelijk te maken om verder kunst in de kerk te brengen. Een knipoog en mijn glimlach vergezellen mijn gehuurde carnavalspak.

Wanneer ik in de middenbeuk van de kerk wandel, ben ik verwonderd over hoe mensen hier nog op reageren: draagbare telefoons verdwijnen onmiddellijk in de broekzakken, mensen doen non-verbaal teken wanneer iemand aan het praten is, strenge blikken wanneer ik anderen het zwijgen niet opleg. “De kerk gaat erop vooruit. Een eerste vrouwelijke ‘pekker’”, wordt me in het oor gefluisterd. Het roept veel herinneringen op bij bezoekers en regelmatig word mij gevraagd om te poseren voor de foto. De kerk vult zich, al meer dan zeshonderd mensen hebben plaats genomen. Op de eerste rij is nog een stoel vrij, ik vraag een bejaarde vrouw of ze deze plaats wenst. Ze schudt van neen. Naast haar een man, blootsvoets, gescheurde ongewassen kledij… net als mijn eigen outfit, niet iets wat je courant tegenkomt in de kerk. We zijn dus op dat vlak niet zo verschillend. “Zou jij daar graag zitten? Maar dan wel de hele misviering”, stel ik de man voor. “Oh, ja, mag ik?”, zijn vreugde is zichtbaar en ik vergezel hem tot aan de stoel. Een andere man komt naar me toegelopen, piekfijn uitgedost en fluistert iets in mijn oor. “Hij is al in twee kerken buiten gevlogen. Hij mag niet blijven.” Ik maak duidelijk dat er hier geen reden toe is, “Oh, zet hem dan daar”, terwijl hij wijst naar de zijbeuk. “Neen, dat doe ik niet”, meld ik.

De viering begint. Ik observeer de mensen rond de man. Als de ogen hier nu zouden spreken vrees ik geen goede afloop. Mijn aandacht gaat naar een baby die aan het huilen is. De mama probeert de baby tot rust te brengen. Een teder gebaar. Het wordt stil in de kerk. De man haalt zijn paternoster uit zijn zak en begint te bidden. Af en toe rolt een traan over zijn wang. Ingetogen volgt hij verder de mis. Tijdens de communie kijkt hij de mensen aan en knikt met zijn hoofd als teken van goedendag, hij dankt mensen, lacht naar hen. Eén van de weinige personen waarbij blijheid te zien is. De mannen rond hem raken ontroerd. Verbinding. Tijdens het gebed sta ik naast hem en we geven elkaar de hand. Hij kijkt me aan met een glimlach. Hij wordt emotioneel. Na de viering is hij in alle stilte verdwenen.

Twee dagen later ontmoet ik hem terug aan de kerkdeur. Een mengelmoes van sterke geuren komt onder mijn neusvleugels. Hij kijkt me lachend aan: “‘t Zal voor nu niet zijn, hé! Het zou niet goed komen.” We schudden elkaar de hand. Ik geef hem een schouderklopje: “Dat denk ik ook niet”, en knipoog. “Wat wil je, éénmaal een punker altijd een punker”, terwijl hij zwaait en weer verdwijnt richting het terras van l’Enfant Terrible. Zo terrible is hij nu ook weer niet.

Punk

L’église Saint-Jacques de Gand (Gent). Dix-sept heures, les premières places sont prises pour la messe en gantois. Un maximum de chaises est ajouté. Comme volontaire de ‘Jakobus cultuurkerk’ (église culturelle) je suis, durant les fêtes gantoises, habillée en ‘Garde Suisse’ ou bedeau. C’est un personnage qui d’antan, frappait le sol de son bâton quand les gens devaient  se lever durant le service. Selon les histoires qu’on me raconte ici, il pouvait aussi, de la pointe de son bâton, piquer quelqu’un dans son coté lorsque celui-ci bavardait. Heureusement ceci n’est pas une tâche que j’ai à remplir et je me sers d’une vieille tringle à rideau, trouvée dans un coin perdu de la sacristie. Un sac noir est fixé à l’extrémité du bâton que je tends au  public, pour le laisser remplir de contributions bénévoles. Ceci permet de continuer à apporter de l’art dans l’église. Un clin d’œil et un sourire accompagnent mon costume de carnaval loué. Lorsque je me promène dans la nef, je suis surprise de voir le nombre de gens qui réagissent encore à la vue du bedeau, les téléphones portables disparaissent tout de suite dans les poches de pantalons, d’autres font des signes à ceux qui parlent, et des regards sévères lorsque je n’exige pas le silence.

On me chuchote à l’oreille, “l’église fait des progrès. Un premier bedeau féminin.” Cela évoque de nombreux souvenirs aux visiteurs et je suis régulièrement photographiée.

L’église se remplit, déjà plus de six cents personnes ont pris place. Au premier rang, il y a encore une chaise libre, je demande à une femme âgée si elle veut cette place. Elle me fait signe que non. À ses côtés un homme, pieds nus, des vêtements sales et déchirés… et comme ma propre tenue, chose pas très courante dans une église. Sur ce point nous sommes donc assez semblables. Je lui demande “Voudrais-tu t’asseoir là? Mais bien entendu pour toute la durée de la messe.” Il me réponds “Oh oui, je peu?”, sa joie est visible et l’accompagne jusqu’ à la chaise. Un autre homme impeccablement habillé vient à ma rencontre et me souffle à l’oreille “Il a déjà été expulsé de deux églises. Il ne peut pas rester.” Je lui fais comprendre qu’il n’y a aucune raison pour cela. “Eh bien mettez-le alors là” me montrant du doigt l’extrémité de la nef. “Non, je ne fais pas cela”, lui dis-je.

Le service commence. J’observe les gens aux alentours de l’homme. Si les yeux parlaient maintenant je craindrais pour le déroulement. Je tourne mon regard vers un bébé qui pleure. La maman essaie d’apaiser son bébé. Un geste tendre. Le silence s’installe dans l’église. L’homme sort son chapelet de sa poche et commence à prier. De temps à autre une larme coule le long de son visage. Recueilli il suit la messe. Durant la communion il regarde les gens, hoche la tête en signe de bonjour, les remercie, leur sourit. Une des rares personnes montrant de la joie. Les hommes autour de lui sont émus. Connexion. Durant la prière je suis à ces cotés et on se donne la main. Il me regarde avec un sourire. Il devient émotionnel. Après la messe il disparait en silence.

Deux jours plus tard je le rencontre à nouveau aux portes de l’église. Un mélange d’odeurs fortes me vient au nez. Il me regarde en souriant, “c’est pas pour maintenant hein! Ça ne finirait pas bien.” On se sert la main. Je lui tape sur l’épaule, lui dit “Non je ne crois pas” avec un clin d’œil.

“Qu’est-ce que tu veux une fois punk toujours punk”, faisant signe de la main et se dirigeant vers la terrasse de ‘l’Enfant Terrible’. Il n’est pas si terrible que ça.

Terug – Retour

dav

Mes chaussures sont enveloppées de mauvaises odeurs, cela me rappelle les nombreuses chaussures, l’une à côté de l’autre, dans les auberges de pèlerins sur le chemin de Compostelle.

Le paysage est à nouveau différent. Les bois ont fait place au champs, au maïs et aux différentes céréales.

L’odeur de l’herbe fraîchement coupée. Quelques montées raides. Aux côtés de maisons traditionnelles viennent s’ajouter des nouveaux bâtiments en béton et aux parois lisses.

Un corbeau, un coq, au loin l’horloge de l’église sonne midi. Conifères, arbres feuillus. Encore huit kilomètres de marche avant d’arriver à la prochaine église Saint-Jacques. Au loin, à l’horizon la France, la Belgique, le Luxembourg. Mes pieds et mon moral son encore en forme. Tout à l’heure je vais quitter ce chemin pour me rendre à l’église Saint-Jacques de Gand où je fais du volontariat durant les fêtes gantoises, suivit de dix jours de méditations Vipassana à Dilsen-Stokkem. Je suis curieuse de voir comment ces transitions vont se passer. De séjours dans la nature à l’agitation des fêtes au noble silence de la méditation.

À Messancy, l’église Saint-Jacques domine la ville. Au tour de l’église, le cimetière. Le plus vieux cimetière date du dix-huitième siècle et compte beaucoup de pierres tombales classées. Des jeunes gens sont occupés, brosse à la main à les nettoyer une à une, selon les règles de l’art. Dans la première partie se trouve un grand crucifix classé; il se trouve à l’emplacement exacte de l’église d’origine, détruite en 1847. Contre un mur en face de l’église je profite des rayons de soleil bienfaisants.

Le train. Retour à la maison. Arlon-Bruxelles-Gand (Gent). Sensations étranges. Attendre sur le quai. Près de moi la foule, des conversations téléphoniques agitées et de la musique …

Une plante essaie de survivre parmi le gravier d’entre les rails. Une canette par terre ici et là. Une question se pose: ‘ville ou nature’? Je pense à ma maison. Je ressens une certaine crainte. Au loin les grands conifères. Le silence s’installe en moi. Devant moi dans le ciel, une buse.

GPX Bestanden Chatillon – Arlon

Terug

Rond mijn schoenen hangt een vies geurtje. Dat herinnert me aan de vele schoenen naast elkaar in de pelgrimsherbergen op de weg naar Santiago de Compostela. Het landschap ziet er terug anders uit. De bossen hebben plaats gemaakt voor de velden, maïs en verschillende andere graansoorten. De geur van pas gemaaid gras. Een paar fikse hellingen. Naast de traditionele huizen met ruwe steen komt veel nieuwbouw met beton en afgevlakte muren. Een kraai, een haan, in de verte luidt de kerkklok ‘middag’. Naaldbomen, loofbomen. Nog acht kilometer te gaan en ik ben aan de volgende Sint-Jacobskerk. Aan de horizon Frankrijk, België, Luxemburg. Mijn voeten doen het nog steeds goed. Mijn moraal ook. Straks verlaat ik even deze tocht voor vrijwilligerswerk in de Jakobus cultuurkerk tijdens de Gentse Feesten en tien dagen Vipassana meditatie in Dilsen-Stokkem. Ik ben benieuwd hoe de overgangen zullen zijn. Van wandelen in de natuur naar de drukte tijdens de feesten naar de nobele stilte tijdens de meditatie.

In Messancy domineert de Sint-Jacobskerk de stad. Rondom de kerk het kerkhof. Het oudste kerkhof dateert uit de achttiende eeuw en telt tal van geklasseerde grafzerken. Jongeren zijn ze, met de borstel in de hand, één voor één aan het opkuisen volgens de regels van de kunst. In het voorste deel staat een groot geklasseerd kruis. Dat staat exact waar de originele kerk stond, die vernietigd werd in 1847. Op een muurtje voor de kerk geniet ik van de deugddoende zonnestralen.

De trein. Terug huiswaarts. Aarlen (Arlon)-Brussel-Gent. Het voelt vreemd. Wachtend op het perron. Naast mij een drukte, opgejaagde gesprekken aan de telefoon, gevloek, wandelende muziek… Een plant doet een poging te overleven tussen de keien van de sporen. Een drankblik hier en daar op de grond. Een vraag komt bij me op: ‘Stad of natuur?’. Ik denk aan mijn woonst. Ik zie er wat tegenop. In de verte de hoge toppen van de naaldbomen. Het wordt stil binnenin. Voor mij in de lucht, een buizerd.