De punker

 

Jasmine Debels (1 van 1)

De Sint-Jacobskerk Gent. Zeventien uur, de eerste stoelen worden ingenomen voor de misviering in het Gentsch. Een maximum aan stoelen wordt bijgezet. Als vrijwilliger van de Jakobus cultuurkerk draag ik tijdens de Gentse Feesten het kostuum van de ‘Garde suisse’ of de kerkbaljuw. Dat is de persoon die vroeger met zijn staf op de grond tikte wanneer mensen moesten opstaan tijdens een viering. Volgens verhalen die ik hier hoor kon hij ook met de punt van zijn staf in de zij van iemand prikken als er werd gebabbeld… Gelukkig is dat een taak die ik niet op mij neem. Ik maak gebruik van een oude gordijnroede die ik ergens gevonden heb in een verborgen hoekje van de sacristie. Er hangt een zwart zakje aan te bengelen, dat ik laat vullen met vrijwillige bijdragen tijdens de concerten, om het mogelijk te maken om verder kunst in de kerk te brengen. Een knipoog en mijn glimlach vergezellen mijn gehuurde carnavalspak.

Wanneer ik in de middenbeuk van de kerk wandel, ben ik verwonderd over hoe mensen hier nog op reageren: draagbare telefoons verdwijnen onmiddellijk in de broekzakken, mensen doen non-verbaal teken wanneer iemand aan het praten is, strenge blikken wanneer ik anderen het zwijgen niet opleg. “De kerk gaat erop vooruit. Een eerste vrouwelijke ‘pekker’”, wordt me in het oor gefluisterd. Het roept veel herinneringen op bij bezoekers en regelmatig word mij gevraagd om te poseren voor de foto. De kerk vult zich, al meer dan zeshonderd mensen hebben plaats genomen. Op de eerste rij is nog een stoel vrij, ik vraag een bejaarde vrouw of ze deze plaats wenst. Ze schudt van neen. Naast haar een man, blootsvoets, gescheurde ongewassen kledij… net als mijn eigen outfit, niet iets wat je courant tegenkomt in de kerk. We zijn dus op dat vlak niet zo verschillend. “Zou jij daar graag zitten? Maar dan wel de hele misviering”, stel ik de man voor. “Oh, ja, mag ik?”, zijn vreugde is zichtbaar en ik vergezel hem tot aan de stoel. Een andere man komt naar me toegelopen, piekfijn uitgedost en fluistert iets in mijn oor. “Hij is al in twee kerken buiten gevlogen. Hij mag niet blijven.” Ik maak duidelijk dat er hier geen reden toe is, “Oh, zet hem dan daar”, terwijl hij wijst naar de zijbeuk. “Neen, dat doe ik niet”, meld ik.

De viering begint. Ik observeer de mensen rond de man. Als de ogen hier nu zouden spreken vrees ik geen goede afloop. Mijn aandacht gaat naar een baby die aan het huilen is. De mama probeert de baby tot rust te brengen. Een teder gebaar. Het wordt stil in de kerk. De man haalt zijn paternoster uit zijn zak en begint te bidden. Af en toe rolt een traan over zijn wang. Ingetogen volgt hij verder de mis. Tijdens de communie kijkt hij de mensen aan en knikt met zijn hoofd als teken van goedendag, hij dankt mensen, lacht naar hen. Eén van de weinige personen waarbij blijheid te zien is. De mannen rond hem raken ontroerd. Verbinding. Tijdens het gebed sta ik naast hem en we geven elkaar de hand. Hij kijkt me aan met een glimlach. Hij wordt emotioneel. Na de viering is hij in alle stilte verdwenen.

Twee dagen later ontmoet ik hem terug aan de kerkdeur. Een mengelmoes van sterke geuren komt onder mijn neusvleugels. Hij kijkt me lachend aan: “‘t Zal voor nu niet zijn, hé! Het zou niet goed komen.” We schudden elkaar de hand. Ik geef hem een schouderklopje: “Dat denk ik ook niet”, en knipoog. “Wat wil je, éénmaal een punker altijd een punker”, terwijl hij zwaait en weer verdwijnt richting het terras van l’Enfant Terrible. Zo terrible is hij nu ook weer niet.

Punk

L’église Saint-Jacques de Gand (Gent). Dix-sept heures, les premières places sont prises pour la messe en gantois. Un maximum de chaises est ajouté. Comme volontaire de ‘Jakobus cultuurkerk’ (église culturelle) je suis, durant les fêtes gantoises, habillée en ‘Garde Suisse’ ou bedeau. C’est un personnage qui d’antan, frappait le sol de son bâton quand les gens devaient  se lever durant le service. Selon les histoires qu’on me raconte ici, il pouvait aussi, de la pointe de son bâton, piquer quelqu’un dans son coté lorsque celui-ci bavardait. Heureusement ceci n’est pas une tâche que j’ai à remplir et je me sers d’une vieille tringle à rideau, trouvée dans un coin perdu de la sacristie. Un sac noir est fixé à l’extrémité du bâton que je tends au  public, pour le laisser remplir de contributions bénévoles. Ceci permet de continuer à apporter de l’art dans l’église. Un clin d’œil et un sourire accompagnent mon costume de carnaval loué. Lorsque je me promène dans la nef, je suis surprise de voir le nombre de gens qui réagissent encore à la vue du bedeau, les téléphones portables disparaissent tout de suite dans les poches de pantalons, d’autres font des signes à ceux qui parlent, et des regards sévères lorsque je n’exige pas le silence.

On me chuchote à l’oreille, “l’église fait des progrès. Un premier bedeau féminin.” Cela évoque de nombreux souvenirs aux visiteurs et je suis régulièrement photographiée.

L’église se remplit, déjà plus de six cents personnes ont pris place. Au premier rang, il y a encore une chaise libre, je demande à une femme âgée si elle veut cette place. Elle me fait signe que non. À ses côtés un homme, pieds nus, des vêtements sales et déchirés… et comme ma propre tenue, chose pas très courante dans une église. Sur ce point nous sommes donc assez semblables. Je lui demande “Voudrais-tu t’asseoir là? Mais bien entendu pour toute la durée de la messe.” Il me réponds “Oh oui, je peu?”, sa joie est visible et l’accompagne jusqu’ à la chaise. Un autre homme impeccablement habillé vient à ma rencontre et me souffle à l’oreille “Il a déjà été expulsé de deux églises. Il ne peut pas rester.” Je lui fais comprendre qu’il n’y a aucune raison pour cela. “Eh bien mettez-le alors là” me montrant du doigt l’extrémité de la nef. “Non, je ne fais pas cela”, lui dis-je.

Le service commence. J’observe les gens aux alentours de l’homme. Si les yeux parlaient maintenant je craindrais pour le déroulement. Je tourne mon regard vers un bébé qui pleure. La maman essaie d’apaiser son bébé. Un geste tendre. Le silence s’installe dans l’église. L’homme sort son chapelet de sa poche et commence à prier. De temps à autre une larme coule le long de son visage. Recueilli il suit la messe. Durant la communion il regarde les gens, hoche la tête en signe de bonjour, les remercie, leur sourit. Une des rares personnes montrant de la joie. Les hommes autour de lui sont émus. Connexion. Durant la prière je suis à ces cotés et on se donne la main. Il me regarde avec un sourire. Il devient émotionnel. Après la messe il disparait en silence.

Deux jours plus tard je le rencontre à nouveau aux portes de l’église. Un mélange d’odeurs fortes me vient au nez. Il me regarde en souriant, “c’est pas pour maintenant hein! Ça ne finirait pas bien.” On se sert la main. Je lui tape sur l’épaule, lui dit “Non je ne crois pas” avec un clin d’œil.

“Qu’est-ce que tu veux une fois punk toujours punk”, faisant signe de la main et se dirigeant vers la terrasse de ‘l’Enfant Terrible’. Il n’est pas si terrible que ça.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s