
In de schaduw van de kathedraal van Reims zit ik op een blok beton, mijn blik rustend op het niets.
In een boomgaard vlakbij zoekt een duif voorzichtig haar evenwicht op een wiegende tak.
Het licht speelt door de bladeren en zorgt voor dansende schaduwen op de grond, ik volg dat stille ritme.
In gedachten breng ik mijn aandacht bij alle mensen die ik reeds heb ontmoet. Wat me opvalt, is hoe vloeiend het telkens weer gaat om al bij de eerste deur te worden ontvangen.
Eén ontmoeting draag ik bijzonder in mij.
In een klein dorp in de Vogezen stond een huis met open deur.
De gevel droeg zachte pasteltinten, en op elke vensterbank stonden kleurrijke bloemen.
Ik belde aan. Toen kwam een vrouw naar de deur. Haar handen zaten onder de aarde en aan haar voeten droeg ze groene, plastic tuinklompen.
Ze keek me aan — open, stil, voelend.
Toen ik vroeg om onderdak, nam ze tijd. Tijd om te luisteren, tijd om te voelen. Daar hou ik van.
“Ja, ik kan je ontvangen. Wel niet direct, ik heb nog het een en ander te doen’,deelt de vrouw.” Hoe voelt het voor je als ik rond 19u terugkom?”” Ja, heel goed”. En zo kwamen we tot een afspraak.
Tot die tijd wandelde ik door het dorp, op zoek naar de sleutel van de kerk. Ik kwam terecht op een boerderij die werd gerund door een jong koppel met zes kinderen. Dankzij de jonge vrouw kon ik de kerk bezoeken, die me eerder een grote kapel leek te zijn. Een kapel nog in haar jus, zoals we dat in Frankrijk zeggen. De houten wanden waren door het vocht aan het rotten en sommige spinnenwebben bleven aan mijn rugzak kleven.
Nadien kreeg ik een rondleiding door de koeienstal. Ik stond verbaasd over de evolutie van het koeienmelken: alles was geautomatiseerd. Elke koe droeg een zender, verbonden met een robot die haar molk. De koe wist de robot te vinden en de robot wist precies wanneer hij moest stoppen.
Een voordeel, voor de moeder met zes kinderen: ze hoeft niet meer vroeg uit de veren en heeft nu meer tijd en ruimte voor haar gezin.
En toch voelde ik een kloof groeien tussen mens en dier, de computer had de plaats ingenomen.
Ik genoot van het tafereel waarin de jongste van het gezin in het hooi speelde, terwijl een koe met haar lange wimpers met stille nieuwsgierigheid naar de eenjarige keek.
Om 19u keerde ik terug naar het huis met de fleurige gevel.
Toen ik aan tafel werd uitgenodigd voor het avondmaal, viel mijn oog op een symbool op tafel: le triskèle. Het symbool dat in 2018 deel uitmaakte van mijn weg en mij toen leidde naar de drie plaatsen rond de aartsengel Michaël op het Europese vasteland: Monte Sant’Angelo – Sacra di San Michele – Mont Saint-Michel.
De volgende ochtend, bij het ontbijt, ging ons gesprek over geloof.
Zij, beiden atheïst, luisterden met open oren toen ik vertelde over mijn pelgrimstocht van 2018.
Na mijn verhaal zei de vrouw: ‘Mijn tweede naam is Michel. En die van mijn man ook.”
Er volgde een stilte. We keken elkaar aan en een glimlach werd zichtbaar in onze ogen.
Ik vertelde verder over mijn ervaring met de kraai in Glastonbury. Er was nog iets wat me sindsdien bezighield: kort na mijn verhaal over de kraai kwam Anaïs naar me toe om iets te delen over een gelijkaardige ervaring die zij kort ervoor had meegemaakt met dezelfde vogelsoort.
Ik voelde dat dit delen mij iets wilde zeggen. De betekenis bleef aan de oppervlakte; ook al had de zin begrepen ‘de kraai kroop onder mijn rok, ik kon de kraai niet vasthouden, ik moest hem loslaten’ maar ik voelde dat de zin nog niet volledig was geïntegreerd.
Op de terugweg naar België kwam het steeds weer boven.
Maar daar, aan hun tafel, gebeurde er iets: de woorden werden levend. De zin werd levend in het vertellen en bij het zelf luidop te horen. Het kwam deze keer wél binnen. Tegelijk werd ik me bewust dat er iets van binnenuit wakker werd. Buiten en binnen raakten elkaar.
Plots kon ik niets meer zeggen, omdat ik een intens vreugdevolle gewaarwording had.
Ik hoorde ‘ik geef je vleugels, je mag gaan.
En ik zag ze, mijn eigen vleugels, zich uitvouwen.
Ik was sprakeloos en dankte de twee mensen aan tafel voor hun luisterend oor en hun delen.
Het werd me duidelijk dat Anaïs het kanaal was voor deze boodschap, net zoals de priester ergens hoog in de Apennijnen, midden in Italië, destijds een boodschap had doorgegeven en toen verdween.
De vrouw stond op en verdween even.
Toen ze terugkwam, was haar man iets aan het vertellen over wat er in zijn leven gebeurde.
Plots vroeg ze mij mijn hand uit te steken. Ze legde er iets in: een ketting met een zelfgemaakte hanger, een triskèle. Ik werd geraakt. En we gaven elkander een dikke knuffel.